Umm el-Hiran
- Vandaag begint het “echte” werk. We rijden gemotoriseerd de stad uit en laden de fietsen van de pick-up op een godvergeten zijweg. Keien, steenslag en stof, zo ziet de weg eruit die zich voor ons uitstrekt. Fietsers kiezen zich een heuse mtb’er uit en draaien er al voorzichtig een toertje mee. De zon brandt, maar we zijn nog fris gewassen en gestreken. Dat zal later veranderen. De wandelaars formeren zich apart. Het wandelen blijkt bijna even snel als het fietsen te gaan. De hellingen bijten in de kuiten en we hergroeperen puffend en kreunend bovenop elke molshoop. Water ! We zijn blij dat we snel mogen stoppen voor het eerste dorpsbezoek. Talib is hoofd van de dorpsgemeenschap van Awaj’an en staat ons aan de inrit van het dorp op te wachten.
Awaj’an is een niet-erkend dorp van 800 inwoners. Het dorp bestaat al veel langer dan de staat Israël. In 1947 werden de bewoners gedwongen om hun huizen te verlaten en werden ze naar Jordanië verdreven. Geleidelijk aan kwamen ze terug, maar hun oorspronkelijke gronden waren ingenomen door Joodse kolonisten. Israël is wellicht het enige land ter wereld met kolonisten op eigen bodem. Een nieuw Awaj’an werd gesticht in de buurt. Omer, een voorstad van Be’erSheva, maakt echter aanspraak op de nieuwe ligging van Awaj’an. Ook voor Be’erSheva ligt het dorp in de weg, letterlijk zelfs want het ligt vlak bij weg nummer 60 die volledig als “joodse as” dwars door Israël wordt uitgebouwd. En dus moet de beproefde Israëlische tactiek worden toegepast die erin bestaat om dorpsbewoners het leven zuur te maken. Zo worden toegangswegen naar het dorp geregeld geblokkeerd of zelfs onberijdbaar gemaakt, zodat de bewoners grote omwegen moeten maken. Er is geen school in het dorp, geen kinderopvang, geen elektriciteit. Drie weken geleden is nog een huis verwoest. En elk nieuw huis wordt onmiddellijk met de grond gelijkgemaakt. Voorlopig is er wel water in het dorp. Op eigen kosten hebben de bewoners een pijplijn getrokken vanuit de nabijgelegen township Lakyia. Overigens is het plan dat alle bewoners naar Lakyia moeten verhuizen.
- Elke dag hebben we verschillende gidsen ter beschikking. Ze zorgen voor de oriëntatie, de ontmoetingen onderweg en de vertalingen. Er is Adel die er bijna de hele fietstocht trouw gekluisterd aan zijn i-phone bij is en het hele gebeuren ter plekke organiseert. Afspraken maken loopt op een andere manier dan waar wij ons gerust bij voelen. Maar het loopt en we geraken overal. Adel is het fietsen niet gewoon en moet duidelijk wennen. Fietsen is de Naqab is voor kinderen en voor mtb-sportievelingen. De fiets gebruiken als verplaatsingsimiddel van dorp naar dorp zoals wij doen, is misschien wel een primeur op deze zandpistes. Onderweg van Awaj’an naar Umm Batin moeten we een drukke baan oversteken. Onvoorstelbaar dat hier tussen twee dorpen geen kruispunt, verkeerslicht of tunneltje voorzien is. Maar ja, de dorpen bestaan niet ... Met inzet van lijf en leden haasten we ons over de snelweg.
- Twee andere routebegeleiders zijn Aziz en Selim. Beide wonen op het kerkhof van al-Araqib. Aziz heeft Engels geleerd om de wereld over het onrecht van de Naqab te kunnen informeren. Hij zorgt met zijn pick-up voor bezemwagen. In de open laadbak is altijd wel plaats voor een kapot voorwiel of een derailleur die aan wat rust toe is. Hij vuurt ons voortdurend tot actie aan, komt naast een fietser hangen om een live-interview voor een vrije radio af te nemen of verzamelt iedereen tijdens een rustpauze om de Ottomaanse geschiedenis van het Bedoeïenenvolk nog eens uit te leggen. Selim heeft een woestijnbusje met 15 zitplaatsen. Hij volgt de wandelaars en vervoert de bagage. De eerste dagen wordt hij bijgestaan door Ofer die als gids meewandelt. Ofer is een joodse activist die geen joodse maar een democratische staat wil. Onderweg vertaalt hij getuigenissen naar het Engels. Vanuit het Arabisch, dachten wij eerst. Maar Ofer blijkt geen Arabisch te spreken en onze Bedoeïene gastheren, spreken steeds Hebreeuws. We pauzeren in het volgend dorpje even en een toevallige voorbijganger vertelt ons dat dit erkende dorp de trotse bezitter is van een staatsschool zonder elektriciteit. Altijd hetzelfde verhaal : de vergunning ontbreekt, omdat de dorpsgemeenschap weigert haar land aan de staat af te staan.
- Wanneer we bij de passage door het dorp wat verspreid geraken, worden geïsoleerde fietsers plots met stenen bekogeld. Later gebeurt het nog eens in de buurt van Hura. Het zijn jonge kinderen van 8 à 10 jaar die van heel ver gooien. Denken ze dat we joodse pottenkijkers zijn ? Of arrogante mtb-snobs ? Aziz komt te hulp en rust zijn pick-up met wapperende vlaggen. Hij stelt ook voor dat zijn kinderen meefietsen. Er doen zich de hele verdere woestijntocht geen incidenten meer voor. Behalve dan “veiligheidsincidenten” met roekeloze kamikazekinderen die de tweedehands fietsmechaniek van onze opperbeste fietssleutelaar Michel zwaar op de proef stellen. Het is een warme dag. En de lange klim naar het Community Center van Hura veroorzaakt een stormloop op de waterfonteintjes. We leren al goed eten zonder bord : de pitabroodjes, of nog beter de bedoeïenenpannenkoeken, dienen in de linkerhand als drager voor allerlei lekkers (rauwkost, houmus, olijven,...) We worden ontvangen door de directeur. Hij begint met het pamflet dat we onderweg uitdelen, voor te lezen in drie talen. "Solidarity with bedouins. Biking, hiking and snging for recognition. We are here in solidarity with the Arab_bedouins, and in favour of the recognition of your villages. We are protesting against house demolitions imposed by the Israeli gevernment. We are protesting against the injustice you suffer every day. We do so becasue we believe in nonviolent resistance. Culture against force, resistance against hatred, friendship between people. No racism, no village demolition, no land stealing."
- We fietsen verder en bereiken al snel onze avondbestemming. Umm el-Hiran is een klein mooi dorpje en we krijgen de strikte directieve om geen foto’s van vrouwen te maken. Tijdens onze eerste bivaknacht slapen de mannen en vrouwen mooi apart. We richten ons gemoedelijk in, enkelen maken nog een zonsondergangwandeling of bekijken het spektakel vanop het dakterras. Er is tijd voor een nabespreking in kleine groep, iets wat de komende dagen niet meer zal lukken. Er komen wat kleine ergernissen aan het licht en enkele organisatorische mankementen. Wandelaars en fietsers samen dorpen laten bezoeken, blijkt zeer moeilijk. De twee groepen gaan vanaf morgen aparte routes volgen. Er volgt een Bedoeïenenmaaltijd en een ontvangst door onze gastheer Salim Abu al-Qian. Hij heeft rechten gestudeerd en spreekt zeer goed Engels. Zijn vrouw studeerde secretariaat en stelt zich ook voor. Maar de belangrijkste persoon is mama-mama-mama (drie keer, niet vergeten!)
- Wanneer we onze liederen zingen, stromen ook vrouwen en kinderen toe. Bella Ciao (zesstemmig!) en dan Biladi, een heimatliedje van een Bedoeïene charmezanger. Het Arabisch wil nog niet zo goed lukken, maar het publiek reageert enthousiast : biladi wa’in jarat - alayya azizatoune - wa kawmi wa’indanou’a - alayya kiramou (mijn land - ook al behandelt het mij onrechtvaardig - het is me dierbaar - mijn gemeenschap, ook al haat ze mij - is goedhartig en genereus). Bij onze eerste danspasjes op Grândola wordt het muisstil : Grândola, vila morena - Terra da fraternidade - O povo é quem mais ordena - Dentro de ti, ó cidade (Grândola, bruingebrande stad - Land van broederlijkheid - het is het volk dat regeert - in jou, o stad). José Alfonso schreef dit arbeiderslied in 1964, maar in 1974 werd het de hymne van de Portugese Anjerrevolutie. Het blijft nog even stil na het lied en dan springen de kinderen op en brengen hun spontane versie van Biladi. Spijtig dat er niet mag gefilmd worden.
een korte geschiedenis van de Bedoeïenen in de Naqab
naar een artikel van Ye’ela Raanan (die ons de volgende dag op haar mtb zal begeleiden)
De Bedoeïenen vormen de oorspronkelijke bevolking van de Naqab-woestijn. In de loop van de achterliggende millennia arriveerden ze in golven vanuit het Arabisch Schiereiland. Sinds die tijd leven de Bedoeïenen in dit gebied in semi-nomadische gemeenschappen. Aangezien zij voor hun overleven voornamelijk afhankelijk zijn van hun vee, hebben zij een cultuur ontwikkeld die zich onderscheidt van die van de Palestijnse gemeenschappen in het noorden van Palestina. Hun gemeenschap heeft zich steeds door een hoge mate van zelfvoorziening en autonomie gekenmerkt.
De moderne geschiedenis van de Bedoeïenen kan in vier afzonderlijke perioden onderverdeeld worden, waarin telkens hun autonomie en hun eigendomsrechten verder ondermijnd zijn. Dat zijn achtereenvolgens de Turks-Ottomaanse periode (begin 16e tot begin 20e eeuw), de Britse Mandaatsperiode (1920-1948), het Israëlische bestuur tussen 1948 en 1966, en ten slotte het bestuur vanaf 1966 tot heden.
Tegen het eind van de Turks-Ottomaanse periode beginnen veel Bedoeïenen hun grond te bebouwen. Er komt een systeem van particulier grondbezit onder toezicht van eigen Bedoeïenen-rechtbanken. Sinds 1858 was iedereen verplichtte zijn grond te laten registreren en er belastingen op te betalen, maar de Bedoeïenen hadden deze wet genegeerd. Ze gingen ervan uit dat het eigendomsrecht van de grond door de Bedoeïenengemeenschap zelf geregeld was en er bijgevolg niets schriftelijk vast te leggen viel. Daarenboven betaalden ze niet belastingen aan een vreemde bezetter. Hierdoor hebben slechts enkele Bedoeïenen een oorspronkelijk Tabu (Ottomaans grondcertificaat) in bezit en beweert Israël dat er in feite nooit eigendomsrechten hhebben bestaan.
Na de Eerste Wereldoorlog verwachtten de Bedoeïenen beterschap, omdat ze aan de zijde van de Britten hadden gevochten, in ruil voor beloften van Arabische onafhankelijkheid. De Britten introduceerden een nieuw landregistratiesysteem, dat door de Bedoeïenen wederom genegeerd werd - voor zover zij er al iets van afwisten. Het koloniale bestuur vaardigde echter wel een besluit uit, waarin de eigendomsrechten in de Naqab volgens het gewoonterecht erkend werden. Dit besluit vormt de hoeksteen bij het verdedigen van de grondeigendomsrechten van de Bedoeïenen.
Gedurende de oorlog van 1948 werden de meeste Bedoeïenen verdreven uit de Naqab of sloegen ze voor het oorlogsgeweld op de vlucht. De meesten kwamen in de buurlanden terecht. Van de ongeveer 70000 Bedoeïenen vóór de oorlog, bleven er in de Naqab slechts 11.000 over, met name die families die loyaal waren jegens de nieuwe staat. Hun leiders zwoeren trouw aan de Staat Israel en aanvaardden allen het Israëlische staatsburgerschap, in ruil voor de belofte dat zij hun traditionele leefwijze en hun gronden mochten behouden.
Ondanks deze belofte werden in de jaren vijftig de overgebleven Bedoeïenen geconcentreerd in een driehoekig gebied, dat bekend staat als de Siyag (Hebreeuws voor Rreservaat), waarvan de steden Arad, Yeruham en Rahat de hoekpunten vormen. Als gevolg daarvan ontstonden er twee soorten dorpen : degene die zich reeds vóór 1948 binnen het Siyag-gebied bevonden, en de nieuwkomers. De hele Bedoeïenenpopulatie werd onder militair gezag geplaatst, waaraan pas in 1966 een eind kwam. Ruim 85 procent van de grond in de Naqab werd tot staatseigendom verklaard - lees geconfisqueerd voor militaire doeleinden.
In 1965 stemde Israel een nieuwe wet op de ruimtelijke ordening waarbij het bestaan van Bedoeïenengemeenschappen werd genegeerd. Het verkrijgen van een bouwvergunning in een niet-erkend dorp werd onmogelijk gemaakt. Deze wet is nog altijd van kracht. Daarenboven legde de regering strenge weidebeperkingen op. Zo werd bijvoorbeeld in 1950 de zogeheten Zwarte-Geiten-Wet aangenomen, waarbij het grazen van zwarte geiten - de enige soort die geschikt is voor het leven in de woestijn - verboden werd. Het haar van deze geiten werd daarenboven traditioneel gebruikt om tentdoek te weven ...
In 1966 werd het militair gezag vervangen door een nieuw beleid : gedwongen verstedelijking. Doel is het omvormen van de Bedoeïenen tot een ‘stadsproletariaat’, zoals Moshe Dayan al in 1963 geprofeteerd had : ‘Wij moeten de Bedoeïenen omvormen tot een stadsproletariaat, dat werkzaam is in de dienstverleningssector, in de bouw en in de landbouw. De Bedoeïen zal niet langer op het land met zijn kuddes leven, maar hij zal ‘s avonds thuiskomen en zijn pantoffels aantrekken. Dat is een omwenteling, maar het kan binnen twee generaties gerealiseerd worden. Zonder dwang, maar onder begeleiding van de regering ... Het fenomeen Bedoeïen zal verdwijnen.’ Dit plan werd ten uitvoer gebracht door het bouwen van townships die erop gericht zijn om zoveel mogelijk Bedoeïenen op een klein stuk land te concentreren. Op die manier wilde men ook de traditionele sociale structuren binnen de Bedoeïenengemeenschap afbreken door verschillende families en clans in één stad te vestigen.
In 1947 bezaten en gebruikten de Bedoeïenen exclusief 99 procent van de grond van de Naqab. Heden ten dage beslaat het totale grondgebied dat de Bedoeïenen voor huisvesting en landbouw ter beschikking staat nog slechts 3 procent en de claim op historisch eigendom nog eens 5 procent, hoewel dit grondgebied voor hen niet langer toegankelijk is. En dit terwijl de Bedoeïenengemeenschap 25 procent van de bevolking van de Naqab uitmaakt. Daarbij leeft 70 procent van de Bedoeïenenpopulatie onder de armoedegrens – een direct gevolg van het regeringsbeleid. Het is betreurenswaardig dat de strijd die de regering van Israel tegen deze verarmde en bijna machteloze gemeenschap voert, slechts een klein stukje woestijn tot inzet heeft.
Ye’ela Raanan is een joods-Israelische antropologe, die geboren en getogen is in de Negev (Naqab) Woestijn. Ondertussen weten we dat ze ook een verwoed mtb’ster is.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten