zaterdag 18 mei 2013

dinsdag 2 april 2013 en wat meer over de geschiedenis van de Bedoeïenen

Be’erSheva - Awaj'an - Umm Batin - el-Sayyid - Hura - 
                                                                          Umm el-Hiran 

  • Vandaag begint het “echte” werk.  We rijden gemotoriseerd de stad uit en laden de fietsen van de pick-up op een godvergeten zijweg.  Keien, steenslag en stof, zo ziet de weg eruit die zich voor ons uitstrekt.  Fietsers kiezen zich een heuse mtb’er uit en draaien er al voorzichtig een toertje mee.  De zon brandt, maar we zijn nog fris gewassen en gestreken.  Dat zal later veranderen.  De wandelaars formeren zich apart.  Het wandelen blijkt bijna even snel als het fietsen te gaan.  De hellingen bijten in de kuiten en we hergroeperen puffend en kreunend bovenop elke molshoop.  Water !  We zijn blij dat we snel mogen stoppen voor het eerste dorpsbezoek.  Talib is hoofd van de dorpsgemeenschap van Awaj’an en staat ons aan de inrit van het dorp op te wachten.


Awaj’an is een niet-erkend dorp van 800 inwoners.  Het dorp bestaat al veel langer dan de staat Israël.  In 1947 werden de bewoners gedwongen om hun huizen te verlaten en werden ze naar Jordanië verdreven.  Geleidelijk aan kwamen ze terug, maar hun oorspronkelijke gronden waren ingenomen door Joodse kolonisten.  Israël is wellicht het enige land ter wereld met kolonisten op eigen bodem.  Een nieuw Awaj’an werd gesticht in de buurt.  Omer, een voorstad van Be’erSheva, maakt echter aanspraak op de nieuwe ligging van Awaj’an.  Ook voor Be’erSheva ligt het dorp in de weg, letterlijk zelfs want het ligt vlak bij weg nummer 60 die volledig als “joodse as” dwars door Israël wordt uitgebouwd.  En dus moet de beproefde Israëlische tactiek worden toegepast die erin bestaat om dorpsbewoners het leven zuur te maken.  Zo worden toegangswegen naar het dorp geregeld geblokkeerd of zelfs onberijdbaar gemaakt, zodat de bewoners grote omwegen moeten maken.  Er is geen school in het dorp, geen kinderopvang, geen elektriciteit.  Drie weken geleden is nog een huis verwoest.  En elk nieuw huis wordt onmiddellijk met de grond gelijkgemaakt.  Voorlopig is er wel water in het dorp.  Op eigen kosten hebben de bewoners een pijplijn getrokken vanuit de nabijgelegen township Lakyia.    Overigens is het plan dat alle bewoners naar Lakyia moeten verhuizen.

  • Elke dag hebben we verschillende gidsen ter beschikking.  Ze zorgen voor de oriëntatie, de ontmoetingen onderweg en de vertalingen.  Er is Adel die er bijna de hele fietstocht trouw gekluisterd aan zijn i-phone bij is en het hele gebeuren ter plekke organiseert.  Afspraken maken loopt op een andere manier dan waar wij ons gerust bij voelen.  Maar het loopt en we geraken overal.  Adel is het fietsen niet gewoon en moet duidelijk wennen.  Fietsen is de Naqab is voor kinderen en voor mtb-sportievelingen.  De fiets gebruiken als verplaatsingsimiddel van dorp naar dorp zoals wij doen, is misschien wel een primeur op deze zandpistes.  Onderweg van Awaj’an naar Umm Batin moeten we een drukke baan oversteken.  Onvoorstelbaar dat hier tussen twee dorpen geen kruispunt, verkeerslicht of tunneltje voorzien is.  Maar ja, de dorpen bestaan niet ...  Met inzet van lijf en leden haasten we ons over de snelweg. 
Umm Batin is sinds 2004 erkend als dorp.  Er wonen ongeveer 2400 mensen.  Het  heeft een eigen ORT-schooltje.  De ORT-beweging startte in 1880 in Sint-Petersburg waar een groep Joden iets wilde doen voor het joodse proletariaat.  Ze noemden hun aanpak “Obschestvo Remeslenovo i Zemledelcheskovo Trouda” (vereniging voor handel en landbouwarbeid) afgekort ORT.  Nu zijn er wereldwijd duizenden scholen in achtergestelde gebieden waar kinderen vooral technologisch onderwijs krijgen, zodat hun leven in eigen handen leren nemen.  Er zijn 205 ORT-scholen in Israël en ééntje bij de Bedoeïenen.  We worden ontvangen door het hoofd van de dorpsgemeenschap.  Hij schenkt ons trots koffie en thee in zijn eigendomswoning.  Hij heeft alles zelf gedaan en betaald, maar ... hij heeft geen enkele vergunning.  Die kan hij maar krijgen, indien hij zijn land aan de staat afstaat in ruil voor een symbolische vergoeding.  Hij krijgt dan een “toelating” voor 49 jaar en dan is het weer onzeker of zijn kinderen op het eigen familiegrondstuk kunnen blijven wonen.  Mensen bouwen geen huizen in dit erkende dorp.  Het heeft toch geen zin.  Niemand wil zijn land afstaan en processen verlies je toch.  Onze gastheer werd veroordeeld om zijn huis op eigen kosten af te breken.  Doet hij het niet, dan komen er weer proceskosten bij en dreigt de bulldozer.  Officieus wordt gefluisterd dat men een vergunning krijgt door zijn kinderen naar het leger te sturen.  Bedoeïenen zijn “vrijwillig” welkom in het leger, want ze zijn de perfecte woestijngids ...
 

  • Twee andere routebegeleiders zijn Aziz en Selim.  Beide wonen op het kerkhof van al-Araqib.  Aziz heeft Engels geleerd om de wereld over het onrecht van de Naqab te kunnen informeren.  Hij zorgt met zijn pick-up voor bezemwagen.  In de open laadbak is altijd wel plaats voor een kapot voorwiel of een derailleur die aan wat rust toe is.  Hij vuurt ons voortdurend tot actie aan, komt naast een fietser hangen om een live-interview voor een vrije radio af te nemen of verzamelt iedereen tijdens een rustpauze om de Ottomaanse geschiedenis van het Bedoeïenenvolk nog eens uit te leggen.  Selim heeft een woestijnbusje met 15 zitplaatsen.  Hij volgt de wandelaars en vervoert de bagage.  De eerste dagen wordt hij bijgestaan door Ofer die als gids meewandelt.  Ofer is een joodse activist die geen joodse maar een democratische staat wil.  Onderweg vertaalt hij getuigenissen naar het Engels.  Vanuit het Arabisch, dachten wij eerst.  Maar Ofer blijkt geen Arabisch te spreken en onze Bedoeïene gastheren, spreken steeds Hebreeuws.  We pauzeren in het volgend dorpje even en een toevallige voorbijganger vertelt ons dat dit erkende dorp de trotse bezitter is van een staatsschool zonder elektriciteit.  Altijd hetzelfde verhaal :  de vergunning ontbreekt, omdat de dorpsgemeenschap weigert haar land aan de staat af te staan. 
al-Sayyid is een bijzonder dorp.  Er wonen 3000 mensen waarvan er zo’n 150 doof zijn.  Op eigen houtje heeft het dorp 70 jaar geleden een eigen gebarentaal ontwikkeld die recent internationale aandacht krijgt.  Geen wonder dat het dorp solidair genoeg is om weerstand te bieden aan de druk om te verhuizen.  Niemand wil verkopen en de staat slaat terug met processen, vernielingen en pesterijen.  We worden ontvangen door Addel Sayyed wiens huis recent verwoest is.  De puinhoop ligt er nog tussen de olijfbomen.  De man is een bemiddeld ondernemer en laat onmiddellijk fris water aanrukken.  Al zeven generaties wonen zijn voorouders hier.  Maar de staat aanvaardt geen eigendomstitels naar bedoeïenentraditie.  De rechtbank beval de afbraak en zo geschiedde.  Addel wil wel officieel bouwen, maar hij kan niet.  Hij heeft bijvoorbeeld geen adres om op formulieren in te vullen.  Zijn zoon is soldaat geworden, Addel betaalt braaf belastingen, maar het mag niet baten.  Het probleem is niet de rechtbank, besluit Addel.  De rechters doen hun werk.  Het probleem zijn de onrechtvaardige wetten en die worden in het parlement gestemd.  “In the court of justice they don’t do justice.”
 

  • Wanneer we bij de passage door het dorp wat verspreid geraken, worden geïsoleerde fietsers plots met stenen bekogeld.   Later gebeurt het nog eens in de buurt van Hura.  Het zijn jonge kinderen van 8 à 10 jaar die van heel ver gooien.  Denken ze dat we joodse pottenkijkers zijn ?  Of arrogante mtb-snobs ?  Aziz komt te hulp en rust zijn pick-up met wapperende vlaggen.  Hij stelt ook voor dat zijn kinderen meefietsen.  Er doen zich de hele verdere woestijntocht geen incidenten meer voor.  Behalve dan “veiligheidsincidenten” met roekeloze kamikazekinderen die de tweedehands fietsmechaniek van onze opperbeste fietssleutelaar Michel zwaar op de proef stellen.  Het is een warme dag.  En de lange klim naar het Community Center van Hura veroorzaakt een stormloop op de waterfonteintjes.  We leren al goed eten zonder bord :  de pitabroodjes, of nog beter de bedoeïenenpannenkoeken, dienen in de linkerhand als drager voor allerlei lekkers (rauwkost, houmus, olijven,...)  We worden ontvangen door de directeur.  Hij begint met het pamflet dat we onderweg uitdelen, voor te lezen in drie talen.  "Solidarity with bedouins.  Biking, hiking and snging for recognition.  We are here in solidarity with the Arab_bedouins, and in favour of the recognition of your villages.  We are protesting against house demolitions imposed by the Israeli gevernment.  We are protesting against the injustice you suffer every day.  We do so becasue we believe in nonviolent resistance.  Culture against force, resistance against hatred, friendship between people.  No racism, no village demolition, no land stealing."
Hura heeft 12000 inwoners en 8000 omwonenden die van de infrastructuur gebruik maken.  De komende jaren zouden er nog duizenden Bedoeïenen uit omliggende niet-erkende dorpen moeten bijkomen, maar de township kan dat niet aan.  Er is geen plaats in Hura, er zijn geen voorzieningen, er is geen werk.  40% van de actieve bevolking is werkloos en slechts 5% heeft werk in Hura zelf.  80% is jonger dan 18 of ouder dan 60 jaar.  Er zijn geen middelen voor goed onderwijs en voor gemeenschapsvorming.  De staat heeft geen interesse in Bedoeïenen en wil gewoon land vrijmaken voor een judaïsering van de Naqab.  De criteria die elders in Israël voor joodse nederzettingen gelden (minimum aantal inwoners ten opzichte van beschikbare oppervlakte), worden moeiteloos door de meeste Bedoeïenendorpen gehaald.  Het gemeenschapscentrum is afhankelijk van steun van NGO’s om bijvoorbeeld programma’s te ontwikkelen voor vrouwen die hun school niet afgemaakt hebben.  De directeur hecht ook veel belang aan het onthalen van bezoekers uit andere delen van Israël, zodat die verder kunnen vertellen hoe het er in de Naqab werkelijk aan toegaat.
 

  • We fietsen verder en bereiken al snel onze avondbestemming.  Umm el-Hiran is een klein mooi dorpje en we krijgen de strikte directieve om geen foto’s van vrouwen te maken.  Tijdens onze eerste bivaknacht slapen de mannen en vrouwen mooi apart.  We richten ons gemoedelijk in, enkelen maken nog een zonsondergangwandeling of bekijken het spektakel vanop het dakterras.  Er is tijd voor een nabespreking in kleine groep, iets wat de komende dagen niet meer zal lukken.  Er komen wat kleine ergernissen aan het licht en enkele organisatorische mankementen.  Wandelaars en fietsers samen dorpen laten bezoeken, blijkt zeer moeilijk.  De twee groepen gaan vanaf morgen aparte routes volgen.  Er volgt een Bedoeïenenmaaltijd en een ontvangst door onze gastheer Salim Abu al-Qian.  Hij heeft rechten gestudeerd en spreekt zeer goed Engels.  Zijn vrouw studeerde secretariaat en stelt zich ook voor.  Maar de belangrijkste persoon is mama-mama-mama (drie keer, niet vergeten!)
Een diepe wadi scheidt Umm el-Hiran van de hoofdweg.  In één nacht tijd hebben de bewoners met de hulp van NCF de weg verhard en berijdbaar gemaakt, bang als ze waren dat het Jewish National Fund (JNF) de werken zou storen.  30 overijverige joodse kolonistenfamilies die door de OR-beweging gesteund worden, kamperen al enkele maanden in het nabijgelegen Yattirwoud om triomfantelijk hun Hiran te kunnen binnentrekken.  Umm el-Hiran ligt vlak bij de Groene Lijn die Israël van de Palestijnse Gebieden scheidt en daarom moet hier een gordel van joodse nederzettingen komen.  Nochtans heeft Umm el-Hiran sterke papieren :  nadat ze in 1948 van hun oorspronkelijk grond verjaagd waren om plaats te maken voor een Kibbutz, werd het huidige dorp in 1956 gesticht “op militair bevel” om er “te wonen, land te verbouwen en kuddes te laten grazen”.  Maar de openbare aanklager weerlegt dit argument door te stellen dat van Bedoeïenen mag verwacht worden dat ze “onder de sterrenhemel slapen” en dat hun bouwwerken dus illegaal zijn.  De joodse kampeerders in het bos genieten van watervoorziening en elektriciteit, terwijl Umm el-Hiran van zonne-energie afhankelijk is.  Onze gastheer Salim begint zijn verhaal als volgt.  In 1997 kwam er een grote zandstorm over het dorp waarbij doden vielen en alle tenten en barakken verwoest werden.  De bewoners beslisten toen om in steen te bouwen.  Maar in 2004 kwam een nog sterkere storm over het dorp, namelijk bulldozers die huizen omverduwen.  Sinds toen is elk bouwsel bedreigd met vernietiging.  Enkele weken voor onze komst is nog een huis verwoest.  Het dorp wil wel verhuizen, maar dan opnieuw naar de geboortegronden van vroeger.  Ze willen die ook delen met de Joodse Kibbutzbewoners die er nu zitten.  Maar Israël wil van geen dorp weten.  Iedereen moet naar Hura ...
 

  • Wanneer we onze liederen zingen, stromen ook vrouwen en kinderen toe.  Bella Ciao (zesstemmig!) en dan Biladi, een heimatliedje van een Bedoeïene charmezanger.  Het Arabisch wil nog niet zo goed lukken, maar het publiek reageert enthousiast :  biladi wa’in jarat - alayya azizatoune - wa kawmi wa’indanou’a - alayya kiramou (mijn land - ook al behandelt het mij onrechtvaardig - het is me dierbaar - mijn gemeenschap, ook al haat ze mij - is goedhartig en genereus).  Bij onze eerste danspasjes op Grândola wordt het muisstil :  Grândola, vila morena - Terra da fraternidade - O povo é quem mais ordena - Dentro de ti, ó cidade (Grândola, bruingebrande stad - Land van broederlijkheid - het is het volk dat regeert - in jou, o stad).  José Alfonso schreef dit arbeiderslied in 1964, maar in 1974 werd het de hymne van de Portugese Anjerrevolutie.  Het blijft nog even stil na het lied en dan springen de kinderen op en brengen hun spontane versie van Biladi.  Spijtig dat er niet mag gefilmd worden.


een korte geschiedenis van de Bedoeïenen in de Naqab

naar een artikel van Ye’ela Raanan (die ons de volgende dag op haar mtb zal begeleiden)

De Bedoeïenen vormen de oorspronkelijke bevolking van de Naqab-woestijn.  In de loop van de achterliggende millennia arriveerden ze in golven vanuit het Arabisch Schiereiland.  Sinds die tijd leven de Bedoeïenen in dit gebied in semi-nomadische gemeenschappen.  Aangezien zij voor hun overleven voornamelijk afhankelijk zijn van hun vee, hebben zij een cultuur ontwikkeld die zich onderscheidt van die van de Palestijnse gemeenschappen in het noorden van Palestina.  Hun gemeenschap heeft zich steeds door een hoge mate van zelfvoorziening en autonomie gekenmerkt.

De moderne geschiedenis van de Bedoeïenen kan in vier afzonderlijke perioden onderverdeeld worden, waarin telkens hun autonomie en hun eigendomsrechten verder ondermijnd zijn.  Dat zijn achtereenvolgens de Turks-Ottomaanse periode (begin 16e tot begin 20e eeuw), de Britse Mandaatsperiode (1920-1948), het Israëlische bestuur tussen 1948 en 1966, en ten slotte het bestuur vanaf 1966 tot heden.

Tegen het eind van de Turks-Ottomaanse periode beginnen veel Bedoeïenen hun grond te bebouwen.  Er komt een systeem van particulier grondbezit onder toezicht van eigen Bedoeïenen-rechtbanken.  Sinds 1858 was iedereen verplichtte zijn grond te laten registreren en er belastingen op te betalen, maar de Bedoeïenen hadden deze wet genegeerd.  Ze gingen ervan uit dat het eigendomsrecht van de grond door de Bedoeïenengemeenschap zelf geregeld was en er bijgevolg niets schriftelijk vast te leggen viel.  Daarenboven betaalden ze niet belastingen aan een vreemde bezetter.  Hierdoor hebben slechts enkele Bedoeïenen een oorspronkelijk Tabu (Ottomaans grondcertificaat) in bezit en beweert Israël dat er in feite nooit eigendomsrechten hhebben bestaan.

Na de Eerste Wereldoorlog verwachtten de Bedoeïenen beterschap, omdat ze aan de zijde van de Britten hadden gevochten, in ruil voor beloften van Arabische onafhankelijkheid.  De Britten introduceerden een nieuw landregistratiesysteem, dat door de Bedoeïenen wederom genegeerd werd - voor zover zij er al iets van afwisten.  Het koloniale bestuur vaardigde echter wel een besluit uit, waarin de eigendomsrechten in de Naqab volgens  het gewoonterecht erkend werden.  Dit besluit vormt de hoeksteen bij het verdedigen van de grondeigendomsrechten van de Bedoeïenen.

Gedurende de oorlog van 1948 werden de meeste Bedoeïenen verdreven uit de Naqab of sloegen ze voor het oorlogsgeweld op de vlucht.  De meesten kwamen in de buurlanden terecht.  Van de ongeveer 70000 Bedoeïenen vóór de oorlog, bleven er in de Naqab slechts 11.000 over, met name die families die loyaal waren jegens de nieuwe staat.  Hun leiders zwoeren trouw aan de Staat Israel en aanvaardden allen het Israëlische staatsburgerschap, in ruil voor de belofte dat zij hun traditionele leefwijze en hun gronden mochten behouden.

Ondanks deze belofte werden in de jaren vijftig de overgebleven Bedoeïenen geconcentreerd in een driehoekig gebied, dat bekend staat als de Siyag (Hebreeuws voor Rreservaat), waarvan de steden Arad, Yeruham en Rahat de hoekpunten vormen.  Als gevolg daarvan ontstonden er twee soorten dorpen :  degene die zich reeds vóór 1948 binnen het Siyag-gebied bevonden, en de nieuwkomers.  De hele Bedoeïenenpopulatie werd onder militair gezag geplaatst, waaraan pas in 1966 een eind kwam.  Ruim 85 procent van de grond in de Naqab werd tot staatseigendom verklaard - lees geconfisqueerd voor militaire doeleinden.

In 1965 stemde Israel een nieuwe wet op de ruimtelijke ordening waarbij het bestaan van Bedoeïenengemeenschappen werd genegeerd.  Het verkrijgen van een bouwvergunning in een niet-erkend dorp werd onmogelijk gemaakt. Deze wet is nog altijd van kracht.  Daarenboven legde de regering strenge weidebeperkingen op.  Zo werd bijvoorbeeld in 1950 de zogeheten Zwarte-Geiten-Wet aangenomen, waarbij het grazen van zwarte geiten - de enige soort die geschikt is voor het leven in de woestijn - verboden werd.  Het haar van deze geiten werd daarenboven traditioneel gebruikt om tentdoek te weven ...

In 1966 werd het militair gezag vervangen door een nieuw beleid : gedwongen verstedelijking. Doel is het omvormen van de Bedoeïenen tot een ‘stadsproletariaat’, zoals Moshe Dayan al in 1963 geprofeteerd had :  ‘Wij moeten de Bedoeïenen omvormen tot een stadsproletariaat, dat werkzaam is in de dienstverleningssector, in de bouw en in de landbouw.  De Bedoeïen zal niet langer op het land met zijn kuddes leven, maar hij zal ‘s avonds thuiskomen en zijn pantoffels aantrekken.  Dat is een omwenteling, maar het kan binnen twee generaties gerealiseerd worden.  Zonder dwang, maar onder begeleiding van de regering ...  Het fenomeen Bedoeïen zal verdwijnen.’  Dit plan werd ten uitvoer gebracht door het bouwen van townships die erop gericht zijn om zoveel mogelijk Bedoeïenen op een klein stuk land te concentreren.  Op die manier wilde men ook de traditionele sociale structuren binnen de Bedoeïenengemeenschap afbreken door verschillende families en clans in één stad te vestigen.

In 1947 bezaten en gebruikten de Bedoeïenen exclusief 99 procent van de grond van de Naqab.  Heden ten dage beslaat het totale grondgebied dat de Bedoeïenen voor huisvesting en landbouw ter beschikking staat nog slechts 3 procent en de claim op historisch eigendom nog eens 5 procent, hoewel dit grondgebied voor hen niet langer toegankelijk is. En dit terwijl de Bedoeïenengemeenschap 25 procent van de bevolking van de Naqab uitmaakt. Daarbij leeft 70 procent van de Bedoeïenenpopulatie onder de armoedegrens – een direct gevolg van het regeringsbeleid. Het is betreurenswaardig dat de strijd die de regering van Israel tegen deze verarmde en bijna machteloze gemeenschap voert, slechts een klein stukje woestijn tot inzet heeft. 

Ye’ela Raanan is een joods-Israelische antropologe, die geboren en getogen is  in de Negev (Naqab) Woestijn.  Ondertussen weten we dat ze ook een verwoed mtb’ster is. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten