maandag 9 mei 2011

Palestina 18 tot 24 april 2011

Palestina kan verschillende beelden oproepen : stenen gooiende jongeren, producten uit de wereldwinkel, mooie glooiende landschappen, een oorlogskruispunt waar de bescha- vingen botsen, kruisen slepende fanatici, enzovoort ... Maar na een reis met de Check- point Singers from Belgium blijven de beelden plakken van eindeloze muren en hekken, soldaten met kalashnikovs, controletorens en stinkgaswolken, en waardige mensen die proberen te overleven.


zondag 8 mei 2011

maandag 18 april 2011


Oost-Jeruzalem - Bethlehem

     Op die maandag waren 24 checkpoint- singers op het appèl in het Jeruzalemhotel in Oost-Jeruzalem. Het statige hotel ademt mediterrane glorie. Het is nog wennen aan al die gezichten en in een deugddoende belgochaos stelt ieder zijn hoop en verwachtingen voor in dit godverscheurde land. De eerste rit gaat naar het Dheisheh-vluchtelingenkamp in Bethlehem waar we direct bij het nekvel gegrepen en in het kamp rondgeleid worden. Terwijl we ons door de smalle straatjes wurmen, vertelt onze gids: 

     13000 bewoners op een lap grond van een halve vierkante kilometer. Het kamp is berucht en beroept zich op het hoogste aantal bewoners in Israëlische gevan- genschap. Het kamp opende in 1948 voor de vele mensen die uit hun huizen en dorpen rond Bethlehem verjaagd werden. In 1973 kwamen er nog een heleboel mensen bij. Bewoners moeten het UNO-vluchtelingenstatuut hebben en kunnen dan “genieten” van drie voordelen : gratis scholing (er is 1 jongens- en 1 meisjesschool voor het hele kamp) ; gratis medische zorgen (1 dokterspost - maar ze hielpen onze zieke Aimo wel prima) ; en gratis voedselbonnen. In het kamp zijn er drie grote problemen (we zullen het nog vaker horen) : water (een kampbewoner heeft zeven keer minder water ter beschikking als een Israëli) ; elektriciteit (de stroom valt geregeld uit) ; en werk (er is bijna alleen nog werk om de Muur en de illegale nederzettingen te helpen bouwen). Overal staan zwarte vaten op de daken om water op te slaan voor de vele momenten dat de kraan droog staat. Maar het is interessanter om de vele graffiti in het kamp te bewonderen. Er zijn Bansky-achtige schilderingen (“meisje dat een politieagent fouilleert”), er zijn vele anonieme meesterwerken, en er zijn natuurlijk Handala’s : het jongetje met een hoofd als de opgaande zon, maar dat zijn gezicht pas zal tonen wanneer Palestina bevrijd is. Zijn geestelijk vader Naji Al-Ali werd in 1987 in Londen vermoord. De moordenaar werd nooit gevonden. De Handala is uitgegroeid tot Palestijnse mascotte. Bansky kwam verscholen in een groepje van vier graffiteurs naar Palestina, zodat hij/zij anoniem kon blijven. Hun muurversieringen (bv. het “meisje dat aan ballonnen over de muur zweeft”) kregen echter de kritiek dat de Palestinijnen geen versierde muur willen maar het verdwijnen van de muur. 

Dheisheh
     We vertrekken daarna naar het nabijgelegen Aida-kamp. Bethlehem is niet enkel een bedevaartsoord voor het kinneke jezus maar herbergt ook het graf van de bijbelse Rachel. Israël bouwt een muur rondom dit heiligdom voor joden, moslims en christenen, en annexeerde zo als een taartspie een hele hap grondgebied uit het hart van de stad Bethlehem. In de media wordt van dé muur tussen Israël en Palestina gesproken. Maar er zijn vele muren, en bijmuren en zijmuren, we zullen er tientallen voorbeelden van tegenkomen. De 5000 inwoners van Aida worden omringd en omsloten door muren. Niet voor niets hingen ze boven hun toegangspoort een grote sleutel die ook herinnert aan de sleutels van de huizen die zij in 1948 moesten verlaten. Naast het kamp ligt het 5-sterren Intercontinental Hotel. Op alweer een muur rondom het hotelzwembad staan herinneringen geschilderd aan de herkomstdorpen van de vluchtelingen. 
     In het Al Rowwad Children’s Theatre trakteren jonge energieke dansers ons op een voorstelling, ontmoeten we Association Sîn (= een “Sumerische maangod die de tijd meet en ervoor zorgt dat schuldige heersers eindigen in pijn en smart”) uit Nice dat een theaterproductie over het leven in een vluchtelingenkamp voorbereidt, dineren we uitgebreid, bezoeken we de artisanale winkel, bekijken een film over het kamp, zingen onze (nog schuchtere) liederen en luisteren vooral naar directeur Abdelfattah Abdelkarim Hassan Ibrahim Mohammed Ahmed Mustafa Ibrahim Srour Abusrour. 
 
     We mogen genieten van een prachtig optreden van enkele jongeren van het centrum. In het winkeltje kunnen we prachtige werkstukken kopen gemaakt door de vrouwen van het kamp. Het werd al donker, toen we Dheisheh terug bereikten. Naji en Suhair Owdah ontvangen er ons nog met eindeloze vertelenergie. Naji is directeur van het Phoenix Centre en Suhair coördineert er de vrouwenwerking. Er werken 10 mensen in een beurtrol van twee weken. Zo kunnen 20 mensen tewerkgesteld worden die hun salaris delen. Enkel de directeur, de kok en de tuinier hebben een vaste functie. Het geld komt van UNRWA (de VN-organisatie voor het Palestijns vluchtelingenwerk). De tuin is een park met cafetaria, er is een multifunctionele zaal voor 1000 (!) personen, er worden psychiatrische consultaties aangeboden voor getraumatizeerde kinderen, er is een sociaal restaurant dat 70 vrouwen tewerkstelt en gefinancierd wordt via NGO’s, en ten slotte zijn er nog vergaderruimtes, een internetlokaal, een bibliotheek, opleidingsinitiatieven, een artisanaal vrouwencollectief, ... En er is dus ook een guesthouse waar wij onze intrek nemen. Wie slaapt bij de ronkers op de kamer ... ? 
     De eerste dag zit erop. Sommigen onder ons zijn nog maar enkele uren in het land ... 

     Suhair is een gedreven vertelster. Ze is geboren in het kamp en moest als oudste dochter van 5 kinderen al jong meedraaien om het gezin recht te houden. Ze herinnert zich een keerpunt als negenjarige, toen ze met een zware wasmand naar de rivier trok. Haar moeder had haar geleerd om thuis te wassen en de emmers waswater aan te slepen. Ze dacht slimmer te zijn en de was meteen mee naar de rivier te nemen. De terugweg met de jengelende kleine broers en zusjes en het loodzware natte wasgoed was een hel. Sinds toen is er een houding van verzet tegen de onmenselijke leefomstandigheden in haar geworteld. Ze hebben nu meer comfort dan vroeger. Ze hebben elektriciteit, ten minste als de soldaten de lijnen gerust laten. Soms snijden ze die door gewoon om zich te amuseren. Soldaten hebben ook nieuw “speelgoed”. Ze schieten blauwe pluchen balletjes af die doordrenkt zijn met een bijtende vloeistof. De kinderen rapen die op om mee te spelen met alle pijnlijke gevolgen vandien. Ze spuiten ook een stinkende vloeistof over betogers, stank die je zelfs na meerdere keren douchen niet weg krijgt. In het kamp is ze nooit gerust. Altijd kan er iets gebeuren. Altijd kan het leger bin- nenvallen en schieten. Ze is nooit gerust, slaapt geen enkele nacht zoals het zou moeten, hoort zelfs de kat passeren. Ze sliep ooit een nacht in Parijs. Het was alsof ze toen voor het eerst een keer gerust kon uitslapen. Ze is vooral bang voor haar zonen. Jongens worden speciaal geviseerd. Ze is blij dat haar oudste zoon momenteel in Italië studeert. Ze mist hem, maar daar is haar veiliger. Is haar jongste zoon nog buiten, hangt ze door het raam tot ze hem ziet komen ...

     Naji wil iets vertellen over de nieuwe familieverhoudingen die in het kamp zijn ontstaan. De vader is zijn traditionele machtspositie kwijtgeraakt, omdat hij voor de ogen van zijn vrouw en kinderen geslagen, aangehouden en vernederd wordt door Israëlische soldaten. Ook Naji is het overkomen. Jaren is hij op de vlucht geweest, elke nacht sliep hij in een ander bed. Tot ze hem opgepakt hebben en hij veroordeeld werd tot 6 jaar gevangenis. Toen hij vrijkwam en hij samen met anderen in de bus zat, werd hij zonder vorm van proces terug opgesloten voor 6 maanden. Dit herhaalde zich elke keer weer, zodat hij in totaal 10 jaar heeft vastgezeten. Wie zich daar niet boven kan zetten, die breekt. Dan draag je de gevangenis in je mee en kom je er nooit meer van af. Toen Naji vrij kwam, kreeg hij een groen paspoort. Enkel en alleen op basis van die kleur kan hij telkens naar het politiekantoor worden meegenomen. Dat gebeurt soms drie keer per dag.
In 1995 kreeg hij zijn normale paspoort weer terug. Hij is een machteloze man geworden die passief moest toezien, hoe
zijn vrouw en kinderen geslagen werden. Vrouwen in het kamp krijgen er vaak verantwoordelijkheid en aanzien bij, omdat
ze de familie moeten rechthouden, terwijl de man in de gevangenis zit. De kinderen groeien zonder vader op en nemen het thuis en vooral op straat over. Ze aanvaarden de machteloosheid niet. Hier ligt de oorsprong van de Intifada’s. Die gingen van de jongeren uit. Kinderen die ooit gefilmd werden bij het stenen- gooien, kunnen tot 40 jaar later opgepakt worden op basis van hun ‘terroristisch’ verleden. En iedereen verwacht een nieuwe Intifada binnen dit en zes maanden à één jaar ...

lundi 18 avril 2011

Les Checkpoint Singers 2 en Palestine, avril 2011

De la Palestine, je ne savais que ce qu'en disent les journaux. Et je ne connaissais que les images, souvent violentes, qu'en donne la télévision. Partir avec les Checkpoint Singers était un saut dans l'inconnu : qu'allions-nous rencontrer, et comment réagir ? Avant le départ déjà, il a fallu se faire à des consignes de prudence : pas de partitions dans les bagages, arriver un par un à l'aéroport ... car le seul moyen d'entrer en Palestine, quand on prend l'avion, c'est d'atterrir à Tel-Aviv. C'est là que notre voyage, à Anne-Marie et moi, a commencé; le lundi 18 avril 2011 aux (toutes) petites heures du matin.



Tel-Aviv - Jérusalem - Bethléem

     Lundi 18 avril, aéroport de Tel-Aviv (Israël).  La file au contrôle des passeports est longue, le personnel préposé au contrôle assez intrusif.  Is it your first visit in Israel ?  What do you come here for ?  How long are you staying ?  Where are you staying ?  Show me your registration form – que j'avais oublié à Bruxelles ... mais je connaissais le nom et l'adresse de l'hôtel.  Do you have friends here ?  Le shuttle (taxi collectif) qui nous mène ensuite à Jérusalem fait mine de partir après nous avoir embarqué ... mais retourne à son point de départ.  Une discussion orageuse (en hébreu sans doute, nous n'y comprenons rien) oppose notre chauffeur et celui d'une autre navette : concurrence entre taxis ?  On se croirait à Zaventem, avec la guéguerre entre taxis officiels et taxis pirates.  Quoi qu'il en soit, nous n'arrivons au Jerusalem Hotel que vers 3 heures du matin.  La nuit est courte.

      Lundi 18 avril toujours, Jerusalem Hotel, quelques heures plus tard.  Première rencontre entre chanteurs.  Nous nous connaissons tous pour avoir répété ensemble plusieurs fois les chansons du répertoire.  Chacun raconte ses premiers jours à Jérusalem ou Tel-Aviv (nous n'avons donc pas grand-chose à raconter), dans sa langue et avec plus ou moins de détails.  L'un s'est fait agresser par de jeunes voyous lors d'une promenade dans la nuit de Jérusalem, l'autre s'est fait voler à l'auberge de jeunesse.  La cohabitation des religions, la « bulle » qu'est Tel-Aviv, la saleté des rues à Jérusalem passent la revue.  Ceux qui ont rencontré des Juifs de gauche rapportent la crainte qu'ont ces derniers des concessions faites aux Palestiniens; selon ces Israéliens sans doute bien intentionnés, toute concession est interprétée comme un aveu de faiblesse.

     Nous partons ensuite, en bus, pour le camp de réfugiés de Deheisheh où le groupe s'installe au guest house d'Al Feneiq, le Phoenix Centre.  Une première visite du camp nous plonge aussitôt dans le bain : pauvreté, manque d'eau, immondices recouverts de chaux, chats errants.  Sur tous les toits sont installées des citernes (en fait, de grands tonneaux en métal) pour recueillir l'eau de pluie : on nous dit que c'est une des premières cibles des soldats israéliens lorsqu'ils entrent les armes à la main dans un village de Palestine.  Et cette eau est « chauffée » par un système rudimentaire de plaques en tôle sur lesquelles brille le soleil généreux de la Cisjordanie ...

Le camp a ouvert en 1948 – mais ce n'est pas ou plus, contrairement à ce que j'imaginais, un camp de tentes.  Aujourd'hui s'y entassent plusieurs milliers d'habitants dans des maisons en dur sur moins d'un kilomètre carré.  Deheisheh est l'un des trois camps où se sont réfugiés les fermiers palestiniens des environs de Bethléem chassés de leurs terres en 1948.  Ils n'ont plus revu leurs villages depuis lors.  Plus de 60% des habitants de Deheisheh ont moins de 18 ans.  Aux murs du camp, de nombreux dessins à la peinture rouge dont plusieurs figurent Handala, le petit personnage aux cheveux hérissés imaginé par Naji Al-Ali qui tourne toujours le dos au spectateur, les mains croisées derrière lui parce que, nous explique-t-on, il n'accepte pas de solutions « venues de l'extérieur ».

Nous nous rendons dans un autre camp de réfugiés, celui d'Aïda. Aïda : un beau nom à consonance lyrique pour un camp de 5000 réfugiés environ, entièrement entouré par un mur énorme qu'a construit Israël.  Nous y assistons, au centre culturel Al-Rowwad, à un spectacle donné par de jeunes danseuses et danseurs.  La danse, nous dit-on, est ici surtout affaire d'hommes : ce sont donc les danseuses qui sont l'exception, contrairement à ce qu'on pourrait croire.  Nous donnons aussi au centre Al-Rowwad notre premier concert (si on peut l'appeler ainsi : les ténors ratent superbement leur entrée quand les Checkpoint Singers se lancent dans Bella Ciao !), avant de nous entretenir avec Abdelfattah Abusrour, le directeur du centre.  Un personnage fascinant, et passionnant, qui a étudié à Angers et à Paris et nous parle en français de la « belle résistance », cette volonté de continuer, même lorsqu'on veut vous abaisser, à se comporter en être humain digne de ce nom, à créer le beau, à se livrer à des activités culturelles : préserver sa dignité comme forme suprême de résistance.  Il nous récite par coeur un extrait du Cyrano d'Edmond Rostand, la tirade du « non merci ».  Je ne résiste pas à la reproduire ici – entendre ces mots au coeur de la Palestine, c'était tout simplement époustouflant :

« Et que faudrait-il faire ?
Chercher un protecteur puissant, prendre un patron,


Et comme un lierre obscur qui circonvient un tronc
Et s’en fait un tuteur en lui léchant l’écorce,
 

Grimper par ruse au lieu de s’élever par force ?

Non, merci. Dédier, comme tous ils le font,

Des vers aux financiers ? Se changer en bouffon

Dans l’espoir vil de voir, aux lèvres d’un ministre,

Naître un sourire, enfin, qui ne soit pas sinistre ?

Non, merci. Déjeuner, chaque jour, d’un crapaud ?

Avoir un ventre usé par la marche ? Une peau

Qui plus vite, à l’endroit des genoux, devient sale ?

Exécuter des tours de souplesse dorsale ?…

Non, merci. D’une main flatter la chèvre au cou

Cependant que, de l’autre, on arrose le chou,

Et donneur de séné par désir de rhubarbe,

Avoir un encensoir, toujours, dans quelque barbe ?

Non, merci ! Se pousser de giron en giron,

Devenir un petit grand homme dans un rond,

Et naviguer, avec des madrigaux pour rames,

Et dans ses voiles des soupirs de vieilles dames ?

Non, merci ! Chez le bon éditeur de Sercy

Faire éditer ses vers en payant ? Non, merci !

S’aller faire nommer pape par les conciles

Que dans les cabarets tiennent des imbéciles ?

Non, merci ! Travailler à se construire un nom

Sur un sonnet, au lieu d’en faire d’autres ? Non,

Merci ! Ne découvrir du talent qu’aux mazettes ?

Être terrorisé par de vagues gazettes,

Et se dire sans cesse : "Oh, pourvu que je sois

Dans les petits papiers du Mercure François ? "…

Non, merci ! Calculer, avoir peur, être blême,

Préférer faire une visite qu’un poème,

Rédiger des placets, se faire présenter ?

Non, merci ! non, merci ! non, merci ! Mais… chanter,

Rêver, rire, passer, être seul, être libre,

Avoir l’œil qui regarde bien, la voix qui vibre,

Mettre, quand il vous plaît, son feutre de travers,

Pour un oui, pour un non, se battre, -ou faire un vers !

Travailler sans souci de gloire ou de fortune,

À tel voyage, auquel on pense, dans la lune !
N’écrire jamais rien qui de soi ne sortît,


Et modeste d’ailleurs, se dire : mon petit,

Sois satisfait des fleurs, des fruits, même des feuilles,

Si c’est dans ton jardin à toi que tu les cueilles !
P
uis, s’il advient d’un peu triompher, par hasard,

Ne pas être obligé d’en rien rendre à César,

Vis-à-vis de soi-même en garder le mérite,

Bref, dédaignant d’être le lierre parasite,

Lors même qu’on n’est pas le chêne ou le tilleul,

Ne pas monter bien haut, peut-être, mais tout seul ! »
Pour terminer, Abdelfattah Abusrour nous raconte une histoire (eh oui !)  Celle d'un village menacé par la famine, où un vieux sage recommande de collecter tout le lait dans une citerne et d'en faire beurre et fromage en prévision des jours difficiles.  Mais le lendemain, la citerne est remplie d'eau car chacun a cru que s'il versait simplement de l'eau dans la citerne, nul ne le remarquerait puisque les autres, eux, auraient versé du lait. Une belle parabole sur la solidarité.  Abdelfattah Abusrour nous dira encore plus tard, pendant le dîner que nous partageons avec lui et des visiteurs venus de France, qu'il faut trouver la paix en soi plutôt qu'avec l'ennemi.  Il ajoute – ce qui, il faut bien le dire, me surprend par sa brutalité apparente – qu'il n'entend pas travailler avec des Israéliens, même pacifistes et même de gauche, parce que toute manifestation de bonne entente n'est qu'illusion et qu'on ne pactise pas avec l'occupant.

     Nous montons sur le toit de l'immeuble d'Al-Rowwad, d'où la vue sur le mur est imprenable.  Tout autour, des centaines de toits plats encombrés de citernes d'eau mais aussi de poules, de moutons, de plaques de tôle.  On nous a aussi montré, avant notre arrivée au centre, un portique surmonté d'une énorme clef qui symbolise l'espoir du retour dans les maisons abandonnées en 1948.

Recrus de fatigue, nous rentrons à Deheisheh où le directeur du Phoenix Centre Naji Owdah et sa femme Suhair nous parlent de la vie quotidienne du camp.  L'exposé de Suhair, en particulier, nous touche : la sérénité est totalement absente de son quotidien.  Elle ne dort pas la nuit, par crainte d'une intrusion de l'armée israélienne.  Elle a peur des arrestations administratives prolongées dont les Israéliens sont coutumiers – peur pour ses enfants.  Naji, lui, a déjà passé plusieurs années de sa vie dans le prisons d'Israël.

zaterdag 7 mei 2011

dinsdag 19 april 2011


Bethlehem - Hebron - Beit Ommar - Bethlehem


     Om 5u roept de muezzin vanop de nabijgelegen minaret op tot het gebed, maar wij mogen blijven slapen tot 8u.  Zingen aan de grote checkpoint van Bethlehem is er niet bij, want door de paasperiode kunnen de Palestijnen niet gaan werken en blijven de checkpoints gesloten.  We vertrekken we naar Hebron.  We worden begeleid door de vreselijkste kolonistenverhalen die de CPS-1 er meemaakten.
     Alles blijkt nu gecontroleerder, “beschaafder”, gewiekster te verlopen.  In de stad wonen 12000 Palestijnen en circa 600 fanatieke joodse kolonisten.  Sinds 1997 valt circa 80% van het grondgebied de stad ("H1" genoemd) onder het bestuur van de Palestijnse Autoriteit (PA) en 20% ("H2") onder controle van Israël.  De religieuze geesten zijn vertroebeld in Hebron.  De geschiedkundige uitleg die we in het Centre franco-hébroniste krijgen, is toch wat moslimgekleurd.  Hebron is een van de oudste steden ter wereld die onafgebroken bewoond is.  Het is een heilige stad voor de drie abrahamitische godsdiensten :  islam, jodendom, christendom.  In Hebron staat de Grot van de Patriarchen waar naar verluidt een reeks aartsvaderen en -moeders begraven liggen.  Het is al duizenden jaren een bedevaartsoord voor joden (David werd hier koning van Israël en regeerde er tot Jeruzalem de hoofdstad werd) en er is ook een vroegchristelijk heiligdom geweest.  In 1288 veroverden de moslims de stad en bouwden er de Ibrahimi-moskee.  Er is altijd een joodse minderheid in de stad blijven wonen, tot het “bloedbad van Hebron” in 1929, toen 67 joden vermoord en 60 gewond werden en joodse huizen en synagogen geplunderd.  
     Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 vestigde zich een agressieve joodse kolonie op de plek waar tot de pogroms van 1929 Joden hadden gewoond.  Zij worden beschermd door circa 2000 Israëlische soldaten.  De joodse enclave breidt zich uit om geleidelijk aan dwars door het stadscentrum aansluiting te krijgen met Kiryat Arba, een nederzetting in de nabije omgeving.  In 1997 schoot Baroeg Goldstein, een Amerikaans-Israëlische arts, 29 biddende moslims in de moskee dood en verwondde er 125.  Hij werd ter plekke gelyncht.  Sindsdien is het gebouw in twee stukken verdeeld:  een derde voor de moslims, en twee derde voor de orthodoxe joden.

We bezoeken de moskee net voor het middag-gebed. Omwille van het joodse paasfeest mogen we de synagoge niet be- zoeken.  De straten rond deze “heiligdommen” (een mens vraagt zich af hoe dom ge moet zijn om dit “heilig” te noemen) zijn in twee gedeeld :  een smalle passage voor de Palestijnen en een brede boulevard voor Joden.  Palestijnse buurtbewoners hebben een rooster voor hun vensters; omdat kolonisten ze anders stukgooien.  Enkelen onder ons hebben sluitschutters op de daken opgemerkt.  We lopen dus relatief vrij rond maar zijn voortdurend onder schot gehouden ?  In de soek leuren kinderen met armbandjes en verkopen er hier en daar eentje.  Ze blijven rond ons zwermen, worden agressiever, duwen ons dingen in de hand die we niet willen hebben.  De soek is weer open, al zijn nog niet alle stalletjes ingenomen.  Er hangen nog steeds netten boven de straatjes, omdat de Joodse kolonisten die op de bovenetages wonen, rommel en vuilnis naar beneden gooien.  Nu zouden ze zelfs afvalwater en urine in de soek gieten ...

In verspreide slagorde bereiken we de centrumlocatie van het Centre franco- hébroniste waar we middag eten en buiten ontvangen worden door een bende enthousiaste kinderen.  Ze zingen en dansen voor ons met heel veel enthousiasme.  Wij zingen voor hen.  Dit is een gebied waar kinderen elke dag in doodsangst leven.  Dat er nog zoveel pret gemaakt wordt, is een wonder.  De kinderen van Hebron worden vaak beschimpt en geslagen, er worden stenen naar hen gegooid, toch overleven ze.  Toch leven ook de kolonisten elke dag met de vrees in hun hart.  Ze omgeven zich met soldaten, maar dragen de angst in zichzelf mee.  We brengen ook enkele liederen en vertrekken dan naar Beit Ommar. Onderweg brengen we een bezoek aan een Keffiyeh-manufactuur en een artisanale glasblazerij, twee van de weinige lokale bedrijfjes die de brutale Israëlische bezetting hier overleven.  Helaas overleeft menig glassouvenirtje de verdere rit niet.


Beit Ommar (of officieel Bayt Ummar) ligt 11 kilometer ten noordwesten van Hebron, op de plaats waar ooit het bijbelse stadje Maarath zou gestaan hebben.  Het ligt net naast de drukke en strategische verbindingsweg Jeruzalem - Hebron (dit zal zijn belang blijken te hebben).  Er wonen bijna 15000 uitsluitend Arabische inwoners.  Het stadje ligt idyllisch in de bergen op bijna 1000m hoogte.  In de winter ligt er soms sneeuw en ook nu waait er een (voor sommigen) welgekomen frisse bergbries.  Sinds de tweede Intifada is bijna 70% van de bevolking werkloos, omdat iedereen zijn job in Israël verloor.  Toch is er een relatieve welvaart in het stadje te bespeuren.  De streek is dan ook erg vruchtbaar en staat bekend voor zijn wijn, zijn olijven en zijn fruit.

Mousa Abu Maria wacht ons op voor een rondleiding.  Onlangs nog was hij te gast in de Hallen van Schaarbeek waar Marco het contact met hem legde.  

 Bedoeling van de bezetting is om de Palestijnen weg te pesten.  Mousa geeft er vele voorbeelden van :  wegen blokkeren, een alles dominerende controletoren, wegomleggingen voor Palestijnen, geiten en everzwijnen over de gronden van de boeren jagen, afvalwater illegaal over de velden lozen, markthallen die omgebouwd worden tot een lokale gevangenis,...  Mousa heeft zelf nog vastgezeten in die “markthallen”.  In totaal heeft hij 
5 + 2 jaar in Israëlische gevangenissen doorgebracht.  Onlangs nog is een ambulance zolang opgehouden door al die wegblokkades en wegomleggingen dat de patiënt het niet overleefd heeft.  Merkwaardig genoeg zijn het hier de kolonisten die tegen de muur gekant zijn.  Zonder muur voelen ze zich vrijer om ongelimiteerd land in te palmen.  Er is wel een metalen muur in aanbouw tussen de weg Jeruzalem-Hebron en het dorp.  Deze muur heeft een dubbel doel :  enerzijds het dorp afzonderen, zodat deze belangrijke weg nr 60 later exclusief “ joods” kan worden (er is een nieuwe parallelle hobbelweg in aanbouw voor de Palestijnen) en anderzijds de buitenwijken van het stadje die aan de andere kant van de weg gelegen zijn, afsnijden van het centrum.  Daar wonen o.a. verschillende joodse vrouwen die met een Palestijn getrouwd zijn en hier al jarenlang in vrede leven.

Ook Mousa is gehuwd met een joodse (Amerikaanse) vrouw.  Zijn vrouw is met hun pasgeboren kindje wel teruggekeerd naar de VS, omdat ze het niet meer uithield ...  Mousa’s familie is eigenlijk christelijk van oorsprong, zoals vele families hier in de regio, maar 2 generaties terug koos de familie voor de islam, omdat de kinderen dan van gratis onderwijs konden genieten.  Mousa is heel actief in het Popular Committee (PC) van het stadje.  Het PC staat op zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de politieke partijen.  Ze doet dit onder het motto :  Peace is not the absence of war, it is the presence of justice.  Alle familieclans zijn vertegenwoordigd en die eenheid is heel belangrijk.  Younes Arar doet ons als voorzitter de uitleg over de werking van het comité. 
Het PC maakt deel uit van een grotere structuur :  er is het Centre for Freedom and Justice (CFJ, zie verder) en het Palestine Solidarity Project (PSP).  Dat laatste bestaat uit vier onderdelen :  een steuncomité voor de boeren, een vrouwencollectief, een internationaal studentenuitwisselingsproject en het PC.  Samen met Israëlische vredesactivisten begeleiden zij Palestijnse boeren bij hun werk op het land om te voorkomen dat ze worden aangevallen door Israëlische kolonisten.  Ze helpen de boeren ook om braakliggende stukken weer te beplanten, want land dat 6 maanden onbewerkt blijft, kan door de Israëlische staat aangeslagen worden.  Daarnaast verzorgen ze ook cursussen en trainingen op verzoek van de dorpelingen.  De vrouwen maken mooi handwerk dat ze willen verkopen in het buitenland.
Er zijn drie huizen ter beschikking :  een huis waar we ontvangen worden en dat uit een nalatenschap komt, een guesthouse waar we later nog zullen slapen en dat tijdens Mousa’s lange gevangenschap voor hem gebouwd werd, en een huis voor studenten en internationale stagiaires waar we nog op een BBQ getrakteerd zullen worden.  Financies komen vooral van NGO’s uit de VS.  Het stadje is omsingeld door drie nederzettingen Karmi Tzur, Etzyon en Beit El, die almaar meer land inpikken.  Rond elke kolonie wordt een veiligheidszone gecreëerd waar de boeren hun land niet meer mogen bewerken.  Komt een Palestijn te dicht naar de zin van de kolonisten, dan schieten ze op hem. In de gevangenissen zitten veel Palestijnen uit Beit Ommar.  Onlangs werden 200 kinderen opgepakt en zes maanden gevangen gehouden.  Toen het schooljaar te ver gevorderd was om nog in te pikken, werden de kinderen vrijgelaten.  De meesten hebben geen zin om te herbeginnen en verlaten de school.  Het gevolg is dat er minder geschoolde jongeren zijn. 
De kolonisten proberen met alle middelen de Palestijnen weg te pesten.  De hoofdweg die door allebei gebruikt wordt, sluiten ze soms af om te racen.  Het kerkhof ligt met de ingang langs een dorpsweg.  Nu gaan ze een muur bouwen rond Beit Ommar met één checkpoint zodat de grenswachters controle houden over wie in- en uitgaat.  Wie dan naar het kerkhof wil moet
een omweg van meerdere uren maken.  Het dorp heeft een prachtige markthal gebouwd voor de landbouwers.  Daarin kunnen ze hun groenten en fruit opslaan voor het verder vervoerd wordt om te verkopen.  Het is een ruime ijzeren constructie.  De grenswachters hebben de toegang verboden.  Ze hebben de ruimte zelfs een tijd gebruikt als gevangenis.  Nu staan ze te verkommeren.  De boeren betalen nog steeds huur, maar durven er niet meer naartoe.  Moet iemand naar het ziekenhuis, dan was dat vroeger een rit van 30 minuten.  Nu is dat 3 uur.  Van de 6 uitvalswegen zijn er 5 versperd met dikke blokken.  Alleen aan de controletoren is er nog een weg open, die sluiten ze soms af voor de lol, zodat er niemand in of uit het dorp kan.  Er zijn al meerdere vrouwen bevallen aan de wachtpost, onlangs is een man daar overleden. 

BDS betekent dus Boycot, Desinvestering en Sancties.  We komen dit drieletterwoord nog veel tegen in gesprekken en discussies.  De meeste Palestijnen staan erg positief ten opzichte van dit actiemodel.  Naast consumentenboycot wordt opgeroepen tot een culturele/academische en sportboycot.  Opletten bijvoorbeeld om geen Ahava-toiletproducten te kopen.  Vredesactie voert actie tegen Agrexco dat o.a. onder de handelsnaam Carmel veel fruit en groente naar Europa uitvoert.  Motorola ontwikkelt militaire technologie die daarna in mobiele telefoons, computers en software worden toegepast. D-esinvestering is campagnewerk om bedrijven aan te zetten hun investeringen in de Israëlische economie terug te trekken (bv. Dexia). S-ancties omvat maatregelen van staten of andere instituties als de EU, VN en vakbonden tegen het Israëlisch beleid dat in strijd met internationale wetgeving is.
Moe en vol indrukken keren we naar Dheishi terug. We hebben ons alvast voorgenomen om zaterdag spoorslags naar Beit Ommar terug te keren om deel te nemen aan de wekelijkse betoging.  In Dheishi volgt een debriefing in twee groepen, zodat iedereen op verhaal kan komen :  welke indrukken zijn de afgelopen twee dagen vooral blijven hangen.  De verwarrende en schrijnende indrukken van Hebron en de visie en moed van Beit Ommar worden vaak genoemd.  Het lijkt wel alsof we al weken toeren in Palestina, terwijl we am-per twee dagen onderweg zijn ...

mardi 19 avril 2011

 Bethléem - Hébron - Beit Ommar - Bethléem

     Mardi 19 avril.  A cause d'un mariage organisé la veille dans la grande salle du Centre, le petit déjeuner doit être pris plus tard que prévu.  Le départ, en bus une nouvelle fois, pour Hébron en est retardé d'autant.

     A Hébron, nous sommes accueillis dans les locaux de l'association franco-hébronite par Khouloud, une jeune femme qui se débrouille fort bien en français.  Sous sa conduite, nous visitons la ville d'Hébron, El Khalid en arabe, l'ancienne Arba.  Ici, les colons israéliens entourent la ville.  Il y a plusieurs colonies, dont l'une s'est installée sur une colline où se trouvait la ville originale et une autre a pris le nom de Kyriat Arba, manière de se réapproprier l'histoire.  Dans cette ville où deux populations se partagent (enfin, pas vraiment : même la route qui mène à la colonie est séparée en deux portions, l'une pour les voitures des colons et l'autre pour les Palestiniens qui forcément vont à pied, derrière des blocs de parpaing) des lieux saints (le tombeau d'Abraham ou Ibrahim), les mesures de sécurité sont très strictes.  Pas question d'entrer dans la mosquée (gardée par des soldats) si on n'a pas passé un tourniquet individuel, et si on ne s'est pas laissé fouiller (assez sommairement : No sharp object ?)  La mosquée d'Hébron a été réduite de plus de moitié par les Israéliens après l'assassinat en 1994 par un extrémiste juif, Baruch Goldstein, de 28 musulmans en prière.  Une synagogue y a été installée, que nous ne visitons pas.  Mais nous montons vers la mosquée pour voir notamment les cénotaphes d'Abraham et de Sarah.  Ensuite, descente vers la route des Martyrs qui relie deux des colonies de peuplement juives, mais le passage nous est interdit pour cause de Pâque juive (Pessah).  Un militaire israélien armé nous le signifie, et repousse en même temps derrière une barrière Nadar le cortège d'enfants qui nous accompagnent depuis la mosquée en proposant des bracelets aux couleurs palestiniennes pour cinq shekels.  Ces enfants nous suivront pendant toute notre visite de la vieille ville, sans se décourager : five shekel, five shekel !

La vieille ville d'Hébron, c'est surtout un enchevêtrement de ruelles bordées de petites échoppes dont beaucoup sont fermées, apparemment sur ordre des soldats israéliens ou parce que les commerçants, découragés, ont jeté l'éponge .  Au-dessus de nos têtes, un grillage installé par les boutiquiers protège des détritus que les colons, implantés plus haut, jettent régulièrement dans l'étroit passage.

Au beau milieu de la vieille ville se trouve l'autre local de l'association franco-hébronite.  Après quelques explications sur les activités de l'association et une petite collation, on nous amène dans une cour pleine d'enfants.  Quelques-uns vont danser et chanter pour nous, tout le monde scande en frappant des mains.  A notre tour, nous entonnons Bella Ciao ( « une chanson toute simple ») et Al Rabayieh, qui nous vaut un beau succès devant un public évidemment tout acquis.

Après une courte visite dans une manufacture de keffiyeh et dans une fabrique de verre – deux des activités artisanales qui subsistent à Hébron, l'occasion pour les visiteurs et les touristes (on l'est toujours un peu) d'acheter l'un ou l'autre souvenir – c'est le départ pour Beit Ommar.

      Beit Ommar se trouve à 11 km au Nord-Ouest d'Hébron, c'est un village (17.000 habitants quand même!) situé tout près de la route qui relie Hébron à Jérusalem.  Beit Ommar est, lui aussi, entouré de colonies de peuplement.  L'armée israélienne a fermé par des blocs en béton quatre des cinq accès au village, et le cinquième est gardé par une tour de contrôle qui a tout d'un mirador.  La Palestine est divisée, depuis les accords d'Oslo de 1995, en trois zones : A (sous contrôle théorique de l'Autorité palestinienne, mais les Israéliens n'ont jamais hésité à y pénétrer s'ils le jugeaient utile), B (sous contrôle civil palestinien mais dont la sécurité intérieure est assurée conjointement par l'Autorité palestinienne et par Israël, ce qui signifie en pratique que les Israéliens y ont tout à dire) et C (sous contrôle civil et militaire israélien, englobant les colonies de peuplement et les principaux axes de communication).  Beit Ommar est situé en zone C : le village peut donc, à tout moment, subir des contrôles de l'armée israélienne.  Des colons juifs y sont installées depuis 1933.  Certains, très radicaux, brûlent les terres des fermiers palestiniens, leur envoient des porcs élevés sur caillebotis et des chèvres, attaquent les véhicules palestiniens sur la route de Jérusalem.  L'armée israélienne a même détruit le mur du cimetière de Beit Ommar pour obliger les enterrements à contourner cette route.

Toutes ces explications nous sont données par Moussa Abou Maria, l'un des animateurs du comité populaire de Beit Ommar.  Ce comité compte deux branches : un Conseil pour la justice et la liberté (Council for Freedom and Justice, CFJ) et le Palestine Solidarity Project (PSP).  Ses objectifs consistent à promouvoir des actions de résistance pacifique et à défendre l'unité entre factions politiques : la division affaiblit la cause palestinienne.  Après un repas au siège du comité populaire, son président Youssef Arar, qui fait également partie du comité populaire national, nous expose le fonctionnement de l'organisation.  Il met l'accent sur l'importance de ses contacts internationaux et annonce notamment la tenue en juillet 2011 d'une conférence nationale à Bethléem, à Beit Ommar et à Ramallah, qui doit servir d'amorce à la création d'un mouvement populaire unifié de résistance à l'occupation israélienne.  Il a manifestement l'étoffe d'un homme politique …

Retour en soirée à Deheisheh où a lieu un debriefing en deux groupes, surtout pour évacuer les émotions et les impressions fortes que nous a laissées cette journée à Hebron et Beit Ommar.  Chacun explique quand et pourquoi il s'est senti personnellement heureux ou mal à l'aise.  Les exposés de Naji et Souhair, l'enthousiasme des enfants d'Al-Rowwad ou de l'association franco-hébronite, la construction d'une liberté dans la dignité ont marqué les esprits – mais aussi les enfants vendant avec obstination leurs colifichets, le manque d'eau.  Ceux qui sont déjà venus en Palestine auparavant font un constat plutôt pessimiste : la situation empire.  Le seul point positif, c'est le renversement progressif de l'opinion publique en Belgique.

vrijdag 6 mei 2011

woensdag 20 april 2011


 Bethlehem - Ramallah - Qalqilya

     Na het ontbijt vertrekken we gepakt en gezakt naar het centrum van Bethlehem.  We krijgen royaal 20 minuten om de Ge- boortekerk te bezoeken. Het kinneke jezus geeft niet thuis.  We zien de schade veroorzaakt door het Israëlische leger.  In 2002 vluchtten 200 Palestijnen in de kerk om aan de Israeli Defence Force te ontkomen.  Desondanks beschoten de soldaten het gebouw.  Op verschillende plaatsen kan je nog de kogelinslagen en de gebroken ramen zien.  Uiteindelijk stierven 3 mannen en 25 raakten gewond.  Een man in de soek vlakbij vertelt spontaan dat hij hier geboren is en schoolliep.  Hij heeft een winkeltje in een stukje straat waar men de toeristen weghoudt.  Hij woont op 5 meter van de muur en wil weg uit Bethlehem.  Hij vroeg al 5 keer een uitreisvisum, wat men hem steeds weer weigert.  Ze willen de Palestijnen weg, maar weerhouden hem er dan weer van om te vertreken.  Hij ondervindt elke dag weer andere pesterijen en klaagt ook de Palestijnen in steden aan die zich niets aantrekken van het leed van de mensen in de kampen.

Op het plein voor de kerk staat een solidariteitstent met de Arabische revoltes in de buurlanden.  We hebben onze eerste CPS-repetitie in openlucht. I’m not at war, el pueblo, le tango de Vottem, ze krijgen allemaal een opfrisbeurt.  En El Pueblo ... Unido ... Jamas sera vencido ... brengen we nog uit volle borst voor de solidariteitstent.  Daarna vertrekken we naar Ramallah.  De kortste weg leidt via Jeruzalem en meet op de kaart amper 20 kilometer.  We doen er meer dan drie uur over.  Er ontstaat vooraan in de bus bijna een joods-arabisch handgemeen tussen onze reisleider en de chauffeur.  We moeten echter Jeruzalem vermijden omwille van Kalendia, een monsterachtige checkpoint waar we later nog mee te maken krijgen.  We ervaren zo aan den lijve wat Israël met de Palestijnen voorheeft : urenlang langs kronkelige bergweggetjes omrijden om Jeruzalem en de hoofdassen raszuiver te houden.  Wanneer we ook nog in een ordinaire werffile belanden, proberen we ons liederenrepertoire uit.  Door de strijdliederen zijn we gauw heen, maar we draaiden heel het Franstalig repertorium erdoor, van Saint-Nicolas tot Adamo, ....

"Waarheen ook het oog mag blikken, koloniën staan alom."  Het zijn de nederzettingen die Oost-Jerusalem moeten versmachten.  Mooi aangelegde wegen leiden ernaartoe.  Langs de kant van de weg zien we verschillende Palestijnse Bedoeïenendorpen.  In de verte een stuk muur in aanbouw. Ramallah is in volle expansie, overal bouwwerven, het ene huis al pompeuzer dan het andere.  In de Bir Zayt-universiteit valt de geplande studentenontmoeting wegens tijdsgebrek weg.  We eten er onze houmusvariatie en zingen op de restauranttrappen Al Rabaiyeh in een onuitgegeven (vrije) versie die op veel bijval onthaald wordt.

Weer de bus in en houden halt aan de muziekschool Association Al Kalmandjati geleid door Ramzi Aburedwan.  We krijgen een rondleiding door een Italiaanse vrijwilligster.  De school richt zich op drie pijlers :  1) gratis muziekles voor kinderen uit de vluchtelingenkampen ;  2) maken en herstellen van muziekinstrumenten ;  en 3) concerten en andere activiteiten in Palestina en in het buitenland.
Het onderwijs is op westerse notenleer geschoeid om vandaaruit de Arabische traditie in ere te houden.  De school heeft geen politieke intenties, maar biedt een muzikaal-pedagogisch project aan, ook in vluchtelingenkampen verspreid over heel Palestina.  De instrumenten die Lucas Pairon via Music Fund in België verzamelt en verscheept, zijn hier zeer goed besteed.  Diana geeft een staaltje van haar operatalent en de leerlingen spelen voor ons.  Het is knap wat ze kunnen.  We genieten volop.  Daarna worden we getrakteerd op Bella Ciao voor trombone, viool en Arabische percussie.  Als CPS-2 geven we natuurlijk ook het beste van onszelf ...  


En dan komt de klapper :  de Circusschool van Ramallah.  


Jessica ontvangt ons in haar voorlopig kantoortje.  Met de Circusschool zijn ze in blijde verwachting van eigen gebouwen nabij de Birzeituniversiteit.  Jessica kwam voor Socialistische Solidariteit naar Palestina.  Ze leerde er Shadi Zmorrod kennen, met wie ze in 2006 de Circusschool voor kinderen en jongeren oprichtte.  Shadi en Jessica zijn intussen getrouwd en hebben een zoontje Nour dat in het arabisch-nederlands wordt opgevoed.  Circus nodigt uit om elkaar te vertrouwen, er als mensen voor elkaar te zijn.  Ze begonnen klein, met zelfgemaakt circusmateriaal.  Toen kwam het idee om in een school ook mensen op te leiden om zelf circuslesgever te worden.  Er werd steun en geld gevonden, en nu zijn er twee studenten in Frankrijk om zich te vervolmaken.  Er zijn 100 studenten, verdeeld over verschillende groepen.  Er is ook een speciale meisjesgroep die elders oefent.  De leerlingen zijn welkom vanaf 10 jaar.  De opleidingen staan open voor vluchtelingen uit Jenin en Hebron.  De leerlingen zijn gekwetste kinderen.  Ze hebben zelf iets meegemaakt, er zit familie in de gevangenis of er zijn naasten vermoord.  De school werkt met de kinderen op twee niveaus om de verwerking op gang te brengen :  naar binnen (zelfvertrouwen, ...) en naar buiten (via publieke optredens op markten en pleinen).  Meisjes én jongens doen mee.  De voorstellingen draaien rond bewustmakingsthema’s als afval.  Ze hebben al getoerd in Europa, maar de steun in Palestina zelf zou beter kunnen.  De Palestijnse Autoriteit heeft weinig aandacht voor onderwijs en cultuur (samen amper 2% van het budget).  In Ramallah zijn bijvoorbeeld geen zalen ter beschikking.  Gelukkig kan er sinds kort worden samengewerkt met een onafhankelijke galerij.  Jessica vertelt vol enthousiasme en toont een mooi filmpje over de werking.  Tegen 2014 hopen ze volledig professioneel te kunnen draaien.  Pas als er vragen komen, praat ze over de recente moorden op de joods-arabische theatermaker Juliano Mer Khamis in Jenin en op de italiaanse vredesactivist Vittorio Arrigon in Gaza.  Het centrum krijgt recent bedreigingen van mensen die terug naar de oude waarden willen.  Die willen geen kunst, geen muziek, niet zingen, geen circus.  150 internationale stagiaires zitten sindsdien bijeengetroept in Ramallah en er is angst in hun rangen geslopen.  Niemand weet wat er gaande is, maar het gevoel overheerst dat er in een sfeer van bedreigingen en verdachtmakingen niet veel meer moet gebeuren voor de “internationals” zullen vertrekken.

Het bezoek dat in gulle gastvrijheid begon, eindigt wat in twijfel en verwarring.  Er is geen tijd en plaats voor een optredentje.  We haasten naar het centrum van Ramallah om daar nog eens ter ondersteuning aan een solidariteitstent voor de arabische opstanden te zingen.  Er is echter een groot architectuurevenement op het centrale plein van dit hippe, bijna mondaine stadje.  Er is zoveel volk dat de tent weggedrukt staat in een hoekje en we helemaal niet aan zingen toekomen.  In de bus gaat het verder naar Qalqilya. 


 De afstanden in Palestina zijn niet zo groot :  Bethlehem - Ramalah 20km ;  Jeruzalem - Hebron 25km.  Maar “Palestijnse reistijden” kunnen enorm zijn.  Tijd genoeg in de bus om te luisteren naar reisleiders Cathy en Marco die anekdotes vertellen en voortdurend moeten inspelen op onverwachte wendingen en onvoorziene obstakels.  Een van de legendes is Massada.  Met enkele vroege Jeruzalemreizigers waren we op voorhand een dag naar de Dode Zee en naar Massada gereisd.  Dit imposant bergmassief rijst uit de vlakte op en de houding van de Zeloten die er ooit stierven, heeft in het huidige Israël een grote symbolische betekenis.  “Massada mag nooit meer vallen”, is een uitspraak die is opgenomen in de soldateneed.  De Joodse sekte van de Zeloten had er zich in de Romeinse periode teruggetrokken om onafhankelijk te kunnen blijven.  Toen de toestand onhoudbaar werd en de Romeinen op het punt stonden om de vesting in te nemen, zou de opperzeloot, Eleazar Ben Yair, gezegd hebben :  "Het leven is een ramp, niet de dood.  In de dood zijn alle mensen gelijk.  Hetzelfde lot wacht de lafhartige en de moedige.  Kunnen wij de smaad van slavernij verdragen ?  Kunnen wij toezien dat onze vrouwen onteerd worden en onze kinderen geknecht ?  Nu wij nog vrij zijn en in het bezit van onze zwaarden, laten wij ze gebruiken om onze vrijheid te behouden.  Laat ons sterven als vrije mensen omringd door onze vrouwen en kinderen."  960 mensen joeg deze massamoordenaar eigenhandig de dood in.  Alsof al die kinderen hun toestemming konden geven ... Gelukkig heeft zeloot in onze taal de negatieve bijklank van “onverbeterbare fanatieker” gekregen.

De vijandelijkheden vooraan in de bus nemen weer toe, wanneer de chauffeur de Nabloesroute kiest (een omweg van ettelijke kilometers).  Het is al donker, wanneer we in Qalqilya toekomen.  Er is geboekt in de blikkerende hamburgertent Queens waar we duizend-en-een slaatjes krijgen.  Na wat geharrewar geraken we verdeeld over de drie appartementen die we in een woonblok huren.  De rust keert weer.  Behalve in dat ene hoekje waar een fles Raki in dit drooggelegde land gekraakt wordt ... 


mercredi 20 avril 2011

 Bethléem - Ramallah - Qalqilya

     Mercredi 20 avril 2011, le déjeuner est à nouveau pris avec retard.  Le départ, dans un bus plus petit cette fois, est donc lui aussi un peu tardif.  Direction Bethléem.  Place de la Nativité, visite de l'église du même nom.  Une messe – orthodoxe, paraît-il - est en cours dans le lieu où le Christ est supposé être né, nous n'y avons donc pas accès.  A côté de la vieille église, un bâtiment plus moderne construit au XIXe siècle par les Franciscains et un joli petit cloître.  Les Checkpoint Singers répètent d'abord sur l'esplanade devant l'église, pour donner ensuite un concert sur la place de la Nativité devant une tente dressée par des « indignés » palestiniens, mais vide d'occupants.  C'est notre première action en plein air, devant un public malheureusement très clairsemé (en fait, pratiquement personne).  Le bus nous reprend ensuite pour faire route vers Ramallah.

     Le trajet vers Ramallah traverse de superbes paysages arides, mais aussi des villages bédouins faits de tôles ondulées … et s'agrémente de nombreux embouteillages, qui donnent l'occasion aux chanteurs de chaque communauté (linguistique, s'entend) de plonger dans leur répertoire pour tuer le temps.  Avec quelques surprises à la clef.  Il faudra plus de trois heures pour faire 20 kilomètres !

Première étape : l'université Bir-Zeit. Est-ce à cause de notre retard ?  L'échange musical avec les étudiants et la rencontre avec des responsables de l'université tombent à l'eau.  Ce sera simplement un repas au restaurant universitaire (semblable, avec son agitation et sa nonchalance apparente, à n'importe quel autre restaurant de campus), suivi d'une petite séance de chants sur l'escalier du bâtiment principal de l'université.  Beau succès pour Al Rabayieh, mais sommes-nous sûrs que les spectateurs ne se moquent pas de nous ?

Nous devons ensuite rencontrer, à l'école de musique de l'association Al Kalmandjati, un responsable que nous ne verrons pas.  Désorganisation très méridionale (ou palestinienne?), qui se produira encore à d'autres moments de ce voyage.  Une volontaire italienne qui, comme on dit à Bruxelles, ne sait de rien accepte malgré tout de nous accueillir et de nous expliquer le travail de l'école, qui cherche à combiner étude de la musique et pratique des instruments et préservation du patrimoine musical arabe.  Les professeurs sont presque tous étrangers, les instruments proviennent eux aussi de donateurs étrangers.  Il faut croire, pourtant, que la désorganisation n'est pas totale : des musiciens de l'école ont bien reçu les partitions qui leur avaient été envoyées par courriel et un trio composé d'un percussioniste, d'un trombone et d'un violoniste nous joue une version très emballante de Bella Ciao – que nous reprenons en choeur (c'est le cas de le dire).

Ce qui nous marquera le plus dans notre visite à Ramallah, c'est notre passage à l'école palestinienne du cirque qu'anime une jeune Belge, Jessica De Vlieghere.  Jessica est venue en Palestine comme permanente de Solidarité socialiste, s'est prise d'affection pour le pays et ses habitants (surtout l'un d'entre eux, qu'elle a épousé et avec qui elle a un charmant bambin d'un an et demi, Nour, qui fait une apparition au bras de son père pendant que sa maman nous raconte son projet).  L'école palestinienne du cirque a connu des débuts difficiles, mais elle jouit aujourd'hui d'une renommée internationale.  Pour Jessica, la pratique des arts du cirque a surtout pour utilité de redonner confiance à des jeunes que tout, dans leur situation, amène à se sentir humiliés.  Les enfants qui suivent les cours et qui participent aux représentations sont transformés, et leurs parents conquis.  Mais les difficultés ne sont pas minces : la matériel est coûteux, l'aide de l'Autorité palestinienne est chiche.  Il y a aussi les jeunes – surtout les jeunes filles – qui quittent l'école pour des motifs religieux et une hostilité qu'elle sent grandissante de la part d'une minorité de la population.  Les cours que l'école organisait à Jenine ont dû cesser.  L'assassinat dans cette ville, deux semaines auparavant, de l'acteur et metteur en scène palestinien Julio Mer-Khamis n'est pas de nature à rassurer.  N'empêche : Jessica nous donne une belle leçon d'optimisme.

Direction la place des Lions, au centre de Ramallah, où nous sommes censés soutenir (en chantant, bien entendu) une manifestation de solidarité avec les rébellions du printemps arabe.  Ce que nous n'avions pas prévu, c'est que se déroule aux alentours immédiats de la place une grande manifestation … artistico-architecturale.  Le bus nous dépose au milieu d'un embouteillage monstre, il y a effectivement des véhicules de police partout, mais ce n'est pas pour ce que nous pensions.  Tant pis !  Nous nous glissons dans la foule qui accompagne d'immenses formes architecturales mobiles, nous parlons à une jeune Italienne qui étudie à l'ULB dans le cadre d'un programme Erasmus, les tentes des « indignés » arabes sont toutes petites dans un coin de la place et, bien sûr, il n'est pas question de chanter quoi que ce soit dans ces cortèges bruyants.

     De Ramallah, nous devrions nous rendre à Qalqilia, mais notre guide et mentor (Marco) d'une part, le chauffeur de l'autre, ne sont manifestement pas d'accord sur la route à suivre : par Naplouse ou par des routes plus petites ?  Le chauffeur l'emporte (de toute façon, c'est lui qui tient le volant et donc le pouvoir) mais nous n'arrivons à Qalqilia que bien après 21 heures, la nuit tombée.  Le repas du soir est prévu au Queen's, un restaurant installé au-dessus d'une station service, disons : de type fast food, si ce concept peut être transposé ici.  Le repas, cela étant, est excellent.  Vers 23 heures, le bus nous amène vers les trois appartements qui ont été loués pour deux nuits, où nous nous partageons l'espace tant bien que mal, trois choristes par chambre et trois autres dans chaque salon.  Le tout dans une joyeuse confusion, et dans les deux langues nationales.

donderdag 5 mei 2011

donderdag 21 april 2011



Qalqilya

     ‘s Morgens is er weer ontbijt in Queens (wat een mager kopje koffie) waarna we ontvangen worden door dokter Mohammed Aboushi en Suhad Shraim in het Medical Relief Center.  Dit medisch centrum is een NGO die samenwerkt met België, onder andere met Oxfam.  Qalqilya ligt aan de Groene Lijn (de demarcatielijn van 1948), op slechts 12 km van de Middellandse Zee.  Daarom wantrouwen orthodoxe joden Qalqilya, want in de bijbel staat dat “de joden in de zee gedreven zullen worden”.  Maar die zee is onbereikbaar voor de duizenden kinderen die hier wonen. De stad is helemaal ommuurd met sensoren en bewakingscamera’s.  Een hele tijd was er maar één zwaarbewaakte checkpoint van 8 meter breed.  De gevolgen zijn desastreus.  Je moet er wonen om het echt te beseffen.

Mohammed Aboushi vertelt als dokter over de leefomstandigheden en de gevolgen voor de gezondheid van de bezetting van de meer dan 40000 inwoners.  Ongeveer 80% van de bewoners leeft onder de armoedegrens (minder dan 50$ per maand).  In 1948 stroomden veel Palestijnse vluchtelingen toe.  Daarom hebben veel inwoners het UNO-statuut van vluchtelingen en zijn er ook
enkele kleine UNRWA-ziekenhuizen in het gebied.  Er zijn echter weinig specialisten en dus moeten patiënten voor veel ingrepen naar Nabloes. Vroeger was dit in ongeveer 15 min mogelijk, nu duurt het minimaal 45 min.  Daarenboven heb je een vergunning nodig.  Zelfs ambulances worden tegengehouden aan checkpoints of roadblocks.  Hoogzwangere vrouwen moesten soms in een ziekenwagen aan een checkpoint bevallen.  Het Medical Relief Center maakt deel uit van een netwerk van gelijkaardige centra over heel Palestina.  Het biedt vooral basisgezondheidszorg aan niet-geprivilegieerden ook in de afgesloten dorpen en de Bedouïenengemeenschappen te bereiken.  Met enkele Belgische psychologen werd een traumaverwerkingsprogramma opgezet.  Er wordt groeps- en wijkgericht gewerkt om de gevolgen van de bezetting en de vernederingen gezamenlijk te verwerken.  Door de bezetting, de pesterijen, het ingesloten-zijn, de werkloosheid, het gebrek aan vrijetijdsmogelijkheden... is er ook meer geweld in de gezinnen.  Er zijn meer ‘probleem’-kinderen, meer scheidingen en meer verslaafden (drugs en alcohol).  Een ander gevolg is dat het fundamentalisme groeit.  En dan verandert Aboushi van dokter in politicus.  Hij is als “oude trotzkist” voortrekker van een derde politieke partij die de tegenstelling tussen Hamas en Fatah wil overbruggen.  Het is de oude discussie of een tegenbeweging meer kan bereiken door druk op de bestaande partijen uit te oefenen of door zelf een partij te worden.

     Suhad Shraim neemt ons mee op een bustocht langs de muur van Qalqilya.  We gaan eerst naar de voetgangerscheckpoint in het noordwesten waar de Palestijnen langs moeten die in Israël werken.  De checkpoint is wegens Pesach gesloten.  Wanneer we foto’s maken, klinkt er een metalen stem uit de uitkijktoren dat dit verboden is.  Aan de westkant scheidt een acht meter hoge betonnen muur de stad van Israël.  Langs de Israëlische kant is deze muur met een groene aarden wal gecamoufleerd en razen de nietsvermoedende auto’s er ongehinderd langs.  Aan de Palestijnse kant is er een vier meter brede gracht gevolgd door 35 meter veiligheidszone waar niet mag gebouwd worden en alle huizen met afbraak bedreigd zijn.  Bewoners die er nog zijn, mogen niet meer van hun dakterras genieten, omdat dit een “veiligheidsrisico” is.  In het district wijkt de Muur op bepaalde plaatsen 8 tot 12 km af van de oorspronkelijke Groene Lijn) waardoor meer dan 300 hectare vruchtbare landbouwgrond ingelijfd werd door Israël.

Aan de zuidkant van de betonnen muur is een checkpoint voor boeren en Bedoeïenen die de stad in en uit willen.  Het hele gebied aan de checkpoint waar vroeger een levendige stadswijk met winkeltjes en ateliers stond, is platgelegd.  Met Duits geld is er een afvalwatercollector gebouwd die hier onder de muur Israël binnenstroomt.  Handig voor Israël om het kanaal soms te kunnen afsluiten waardoor het stinkend water de stad niet kan verlaten.  Onbegrijpelijk waarom de EU hier geen waterzuiveringsinstallatie gebouwd heeft.  Maar dat mocht blijkbaar niet ...  Een landbouwer die hier nog woont, kan vanuit zijn venster zijn akkers aan de andere kant van de muur (een veiligheidshek) zien liggen.  Van de ene op de andere dag verloren landbouwers een deel van hun velden.  Mits een vergunning die ze 45 kilometer ver moeten gaan aanvragen, kunnen ze hun land gaan bewerken.  Ze zijn echter voor hem bijna onbereikbaar geworden :  de checkpoint opent maar enkele uren per dag of je moet tientallen kilometers omrijden en ... Our Land Is Not Our Land / When I plant aubergines / I need permission / When I plant an olive tree / I need permission (citaat uit The Shouting Fence)

     We mogen er als Belgen trots op zijn dat de checkpoint hier met scheermesscherpe Bekaertdraad uitgerust is.  Om 13u opent de poort en er wachten reeds enkele Bedoeïenen om over te steken.  Tijd voor de Checkpoint Singers om in actie te komen.  We zingen dubbelhard en met een krop in de keel, wanneer een bus schoolkinderen passeert die door soldaten met kalashnikovs in de aanslag doorzocht wordt. Marco deelt er onze pamfletjes aan de soldaten uit en Gerrit kan eindelijk ezeltjes schieten.  We rijden ten slotte de stad nog uit langs de weg die landbouwers “mogen” volgen om de checkpoint te vermijden :  tunnels en kilometers om.  Hier wordt druk gewerkt aan het parallelle wegennet dat Palestijnse enclaafjes moet verbinden en het grootste gedeelte van de Westelijke Jordaanoever voor kolonisten zal voorbehouden.  Vroeger was Qalqilya een drukke handelsstad :  Palestijnen én Israëli’s kwa-men er goedkoop fruit en groenten kopen.  De stad was gekend als de food basket én waterreservoir van dit gebied.  Dit is nu niet meer mogelijk, want Qalqilya is zone A en dus verboden gebied voor Israëli’s (behalve soldaten natuurlijk).  Israël heeft 19 bronnen in de stad geconfisceerd waardoor het ook de watervoorraad in handen heeft.  Ook hier is het de bedoeling om de Palestijnen weg te pesten.  Voorlopig lijkt dat niet te lukken.

Het is onbegonnen werk om alle informatie die we van Suhad tijdens de rondlei- ding krijgen, weer te geven. Na de bouw van de muur is Suhads vader nooit meer terug geweest in Qalqilya. Zijn laatste woorden waren ”zorg voor mijn grond”, maar dat kan niet. Suhad kan er niet meer bij, de grond ligt buiten de muur. Economisch zijn de gevolgen niet te overzien. Heel wat winkels werden gesloopt en de werkloosheid is torenhoog. Sinds de muur gebouwd werd, trokken al meer dan 4000 burgers weg uit de stad om werk te vinden. Om te overleven heeft een gezin NIS 1200 nodig, de meeste verdienen echter niet meer dan NIS 200 per maand. Ook het onderwijs functioneert niet meer naar behoren. Veel leraars wonen buiten de stad en kunnen niet altijd de school bereiken. Op sommige dagen vallen lessen weg. Studenten die om 8u examen hebben, moeten tot de middag wachten vooraleer ze weer naar huis kunnen. De gate is open van 7 tot 8u, van 12 tot 13u en van 17 tot 18 uur. Wie te laat is, moet wachten. Wie naar zijn veld wil, moet gaan als de poort opengaat. Even terug gaan om iets te halen zit er niet in, behalve als je dit kan doen binnen het uur, je moet dan wel twee keer door de controle. Bewerk je je land niet, dan ben je het kwijt.

     Terug in de stad stelt Suhad voor om op de markt een oproep te doen tot boycot van Israëlische producten :  qaata qaata qaata ... qaata israël !!  Onze chauffeur is ondertussen helemaal ontdooid en loopt enthousiast mee.  Er zijn zelfklevers die we kunnen uitdelen (en plakken) en ons geroep weergalmt in de markthallen.  Een verkoper met nog luidere stem springt op een stapel kratten en scandeert mee qaata qaata qaata ... qaata israël !!  Boycot Israël !  Er zijn veel Israëlische Carmel-producten op de markt.  Mensen roepen meer en meer mee.  Afwijzende reacties zijn er nauwelijks.  Achteraf zijn we niet helemaal zeker wat die reacties nu juist betekend hebben.  Lachten ze ons uit ?  Waren wij een beetje entertainment voor hen ?  Deden ze mee zonder veel overtuiging ?  Suhad was echter tevreden en dat is alvast een goede waardemeter. 


In het Medical Relief Center is er nog een soort “officiële ontvangst”.  De Belgisch-Palestijnse samenwerking voor psychologische bijstand wordt afgesloten.  Er is nu minder nood aan de psychopedagogische groepsondersteuning en er zijn voldoende Palestijnse specialisten om de individuele therapieën waar nodig voort te zetten.  We hebben ook een ontmoeting met enkele moeders en lesgeefsters.  De verhalen zijn niet vreemd meer.  Intimidatie en frustraties.  Aansluitend kijken we nog een film waarin Mustafa Barghouti de geschiedenis van de Palestijnse kwestie en het Palestijns verzet schetst. Pakkend en schrijnend.  De film sensibiliseert en sleept mee.  Pas achteraf komen er wat bedenkingen over de eenzijdigheid van de film :  ook Jordanië en de Arabische wereld hebben de Palestijnen in de steek gelaten, de terreur- en zelfmoordaanslagen worden niet eens vernoemd ...  Het is een mobiliserende film, maar die toch kadering en discussie nodig heeft. 

In onze appartementen blijkt er politiebezoek geweest te zijn.  Palestijnse agenten hadden Jean-Louis op het dak zien filmen en dachten dat hij hen in het oog hield (zij stonden ook op een dak te surveilleren).  Ze wilden zijn film in beslag nemen.  Maar onze ooit zo weerbarstige chauffeur kwam tussenbeide en nam het voor ons op (iets over een verrekijker en geen camera...)  Eind goed, al goed en we gingen met zijn allen heerlijk vis eten.  Onderweg passeerden we nog eens op de markt om inkopen voor het ontbijt te doen.  Onze middagpassage bleek duidelijk nog niet vergeten...  ‘s Avonds laat doen we nog een debriefing.  Er is nood aan vertellen vertellen.  Zoveel indrukken, zoveel onrecht.