Oost-Jeruzalem - Bethlehem
13000 bewoners op een lap grond van een halve vierkante kilometer. Het kamp is berucht en beroept zich op het hoogste aantal bewoners in Israëlische gevan- genschap. Het kamp opende in 1948 voor de vele mensen die uit hun huizen en dorpen rond Bethlehem verjaagd werden. In 1973 kwamen er nog een heleboel mensen bij. Bewoners moeten het UNO-vluchtelingenstatuut hebben en kunnen dan “genieten” van drie voordelen : gratis scholing (er is 1 jongens- en 1 meisjesschool voor het hele kamp) ; gratis medische zorgen (1 dokterspost - maar ze hielpen onze zieke Aimo wel prima) ; en gratis voedselbonnen. In het kamp zijn er drie grote problemen (we zullen het nog vaker horen) : water (een kampbewoner heeft zeven keer minder water ter beschikking als een Israëli) ; elektriciteit (de stroom valt geregeld uit) ; en werk (er is bijna alleen nog werk om de Muur en de illegale nederzettingen te helpen bouwen). Overal staan zwarte vaten op de daken om water op te slaan voor de vele momenten dat de kraan droog staat. Maar het is interessanter om de vele graffiti in het kamp te bewonderen. Er zijn Bansky-achtige schilderingen (“meisje dat een politieagent fouilleert”), er zijn vele anonieme meesterwerken, en er zijn natuurlijk Handala’s : het jongetje met een hoofd als de opgaande zon, maar dat zijn gezicht pas zal tonen wanneer Palestina bevrijd is. Zijn geestelijk vader Naji Al-Ali werd in 1987 in Londen vermoord. De moordenaar werd nooit gevonden. De Handala is uitgegroeid tot Palestijnse mascotte. Bansky kwam verscholen in een groepje van vier graffiteurs naar Palestina, zodat hij/zij anoniem kon blijven. Hun muurversieringen (bv. het “meisje dat aan ballonnen over de muur zweeft”) kregen echter de kritiek dat de Palestinijnen geen versierde muur willen maar het verdwijnen van de muur.
In het Al Rowwad Children’s Theatre trakteren jonge energieke dansers ons op een
voorstelling, ontmoeten we Association
Sîn (= een “Sumerische maangod die de tijd meet en ervoor zorgt dat schuldige
heersers eindigen in pijn en smart”) uit
Nice dat een theaterproductie over het
leven in een vluchtelingenkamp voorbereidt, dineren we uitgebreid, bezoeken we
de artisanale winkel, bekijken een film
over het kamp, zingen onze (nog schuchtere) liederen en luisteren vooral naar
directeur Abdelfattah Abdelkarim Hassan Ibrahim Mohammed Ahmed Mustafa
Ibrahim Srour Abusrour.
We mogen genieten van een prachtig optreden van enkele jongeren van het centrum. In het winkeltje kunnen we prachtige werkstukken kopen gemaakt door
de vrouwen van het kamp. Het werd al
donker, toen we Dheisheh terug bereikten.
Naji en Suhair Owdah ontvangen er ons
nog met eindeloze vertelenergie. Naji is
directeur van het Phoenix Centre en Suhair coördineert er de vrouwenwerking.
Er werken 10 mensen in een beurtrol van twee weken. Zo kunnen 20 mensen tewerkgesteld worden die hun salaris delen.
Enkel de directeur, de kok en de tuinier
hebben een vaste functie. Het geld komt
van UNRWA (de VN-organisatie voor
het Palestijns vluchtelingenwerk). De
tuin is een park met cafetaria, er is een
multifunctionele zaal voor 1000 (!) personen, er worden psychiatrische consultaties aangeboden voor getraumatizeerde
kinderen, er is een sociaal restaurant dat
70 vrouwen tewerkstelt en gefinancierd
wordt via NGO’s, en ten slotte zijn er nog
vergaderruimtes, een internetlokaal, een
bibliotheek, opleidingsinitiatieven, een
artisanaal vrouwencollectief, ... En er is
dus ook een guesthouse waar wij onze intrek nemen. Wie slaapt bij de ronkers op
de kamer ... ?
De eerste dag zit erop. Sommigen onder
ons zijn nog maar enkele uren in het land
...
Suhair is een gedreven vertelster. Ze is geboren in het kamp en moest als oudste dochter van 5 kinderen al jong meedraaien om het gezin recht te houden. Ze herinnert zich een keerpunt als negenjarige, toen ze met een zware wasmand naar de rivier trok. Haar moeder had haar geleerd om thuis te wassen en de emmers waswater aan te slepen. Ze dacht slimmer te zijn en de was meteen mee naar de rivier te nemen. De terugweg met de jengelende kleine broers en zusjes en het loodzware natte wasgoed was een hel. Sinds toen is er een houding van verzet tegen de onmenselijke leefomstandigheden in haar geworteld. Ze hebben nu meer comfort dan vroeger. Ze hebben elektriciteit, ten minste als de soldaten de lijnen gerust laten. Soms snijden ze die door gewoon om zich te amuseren. Soldaten hebben ook nieuw “speelgoed”. Ze schieten blauwe pluchen balletjes af die doordrenkt zijn met een bijtende vloeistof. De kinderen rapen die op om mee te spelen met alle pijnlijke gevolgen vandien. Ze spuiten ook een stinkende vloeistof over betogers, stank die je zelfs na meerdere keren douchen niet weg krijgt. In het kamp is ze nooit gerust. Altijd kan er iets gebeuren. Altijd kan het leger bin- nenvallen en schieten. Ze is nooit gerust, slaapt geen enkele nacht zoals het zou moeten, hoort zelfs de kat passeren. Ze sliep ooit een nacht in Parijs. Het was alsof ze toen voor het eerst een keer gerust kon uitslapen. Ze is vooral bang voor haar zonen. Jongens worden speciaal geviseerd. Ze is blij dat haar oudste zoon momenteel in Italië studeert. Ze mist hem, maar daar is haar veiliger. Is haar jongste zoon nog buiten, hangt ze door het raam tot ze hem ziet komen ...





Geen opmerkingen:
Een reactie posten